ECLI:NL:CRVB:2009:BI8673
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit WAO-uitkering wegens procedurele tekortkomingen
Appellant, geboren in 1971, ontving sinds 1999 een WAO-uitkering wegens psychische klachten en lichamelijke beperkingen. Het UWV trok deze uitkering per 29 november 2004 in, omdat de arbeidsongeschiktheid volgens hen minder dan 15% bedroeg. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
Tijdens het hoger beroep schakelde de Raad een onafhankelijke psychiater in, die de medische situatie van appellant onderzocht en bevestigde dat de vastgestelde belastbaarheid in overeenstemming was met de psychiatrische diagnose en beperkingen. Ook werden de lichamelijke klachten adequaat beoordeeld. De Raad concludeerde dat het UWV de juiste medische beperkingen had meegenomen en de geduide functies medisch geschikt waren.
Echter oordeelde de Raad dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank in strijd was met artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat het UWV toestemming had gegeven om de zaak buiten zitting af te doen zonder over alle relevante stukken te beschikken en appellant zijn toestemming slechts voorwaardelijk had gegeven. Daarom werd de uitspraak vernietigd en het bestreden besluit eveneens, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand.
Het verzoek van appellant tot schadevergoeding wegens te late betaling van de uitkering werd afgewezen. De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep, inclusief vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.