ECLI:NL:CRVB:2009:BI8746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging herzieningsbesluit WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellant, werkzaam geweest als productiemedewerker, kreeg vanaf 1989 een WAO-uitkering toegekend wegens een matig ernstige dysthyme stoornis en een ernstige persoonlijkheidsstoornis die hem ongeschikt maakten voor normale arbeid. In 2006 herzag het UWV de uitkering drastisch naar 15-25% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op een verzekeringsarts die vond dat appellant benutbare mogelijkheden had tot arbeid. Dit werd bevestigd door een arbeidsdeskundige.
Appellant maakte bezwaar en bracht een psychiatrisch rapport in dat zijn ernstige beperkingen bevestigde, waaronder explosieve uitbarstingen en agressief gedrag. De bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige handhaafden echter het standpunt van benutbare arbeid. De rechtbank vernietigde het besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn beperkingen ongewijzigd zijn en dat het UWV ten onrechte geen rekening hield met eerdere psychiatrische rapportages die zijn volledige arbeidsongeschiktheid onderbouwden. De Raad concludeert dat het UWV onvoldoende gemotiveerd heeft waarom appellant in 2006 toch inpasbaar zou zijn in arbeid en vernietigt het besluit. Het UWV wordt opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak en wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van het gewijzigde standpunt over de arbeidsongeschiktheid van appellant.