ECLI:NL:CRVB:2009:BI9386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering en vergoeding schade wegens overschrijding redelijke termijn
Appellante, werkzaam als medewerker thuiszorg, kreeg een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV trok deze uitkering in 2003 in op grond van een afname van haar arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, waarbij de rechtbank in 2005 het besluit vernietigde vanwege onvoldoende toelichting op de geschiktheid van functies.
Na aanvullend arbeidskundig onderzoek verklaarde het UWV het bezwaar opnieuw ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep betwistte appellante onder meer dat het UWV de hoorplicht had nageleefd en dat de medische grondslag correct was. De Raad oordeelde dat de medische beoordeling definitief was vastgesteld in eerdere procedures en dat geen nieuwe medische gegevens waren aangevoerd.
De Raad bevestigde dat het UWV de hoorplicht niet had geschonden en dat de arbeidskundige onderbouwing voldoende was. De intrekking van de WAO-uitkering per 23 juni 2003 was terecht. Daarnaast oordeelde de Raad dat de totale procedure ruim zes jaar duurde, wat een overschrijding van de redelijke termijn betekende. Het UWV werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 2.500 en tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en veroordeelt het UWV tot vergoeding van € 2.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.