ECLI:NL:CRVB:2009:BI9454
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering en oplegging maatregel wegens niet verschijnen bij verzekeringsarts
Appellant kreeg een WAO-uitkering die door het UWV werd beëindigd per 1 januari 2008. Het UWV had appellant opgeroepen voor een onderzoek door een verzekeringsarts, maar appellant verscheen niet op het spreekuur op 10 januari 2008. Op grond van artikel 25 van Pro de WAO legde het UWV daarop een maatregel op in de vorm van een korting van 10% op het uitkeringspercentage voor een periode van acht weken.
De rechtbank vernietigde het besluit van 28 januari 2008 waarin het UWV een blijvende gehele weigering van de uitkering oplegde, omdat dit buitenproportioneel was. Het UWV nam een nieuw besluit op bezwaar waarbij de maatregel van 10% korting werd gehandhaafd. Appellant stelde beroep in tegen dit besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV bevoegd was tot het onderzoek en het opleggen van de maatregel. Er was sprake van verwijtbaarheid aan appellant wegens het niet verschijnen. De opgelegde maatregel was proportioneel en in overeenstemming met het Maatregelenbesluit UWV. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard. Verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen omdat het beroep ongegrond was.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en het bestreden besluit van het UWV, waarmee de korting van 10% over acht weken rechtsgeldig werd opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de maatregel van 10% korting op de WAO-uitkering voor acht weken wordt gehandhaafd.