ECLI:NL:CRVB:2009:BI9767

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1259 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening van WAO-uitkering en geschiktheid voor gangbare arbeid

In deze zaak gaat het om de herziening van de WAO-uitkering van appellante, die sinds 1995 een uitkering ontving vanwege arbeidsongeschiktheid. Appellante had zich in 1994 ziekgemeld met psychische en schildklierklachten. In 2005 werd een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek uitgevoerd, waaruit bleek dat appellante, ondanks haar medische beperkingen, geschikt werd geacht voor gangbare arbeid. Op basis van dit onderzoek heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in maart 2006 de WAO-uitkering van appellante herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Appellante ging in beroep tegen deze herziening, maar de rechtbank oordeelde dat er geen aanleiding was om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De rechtbank vond dat de medische beperkingen die in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) waren opgenomen, voldoende waren om de geschiktheid van appellante voor de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies te onderbouwen. Appellante ging in hoger beroep, waarbij zij volhardde in haar stelling dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat er geen informatie was ingewonnen bij haar behandelend psychiater.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellante geen nieuwe objectieve medische gegevens had ingebracht die de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen in twijfel trokken. De Raad concludeerde dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag lagen, medisch geschikt waren voor appellante. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitspraak

08/1259 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 januari 2008, 06/9315 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Y. Tamer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op 21 april 2009 is namens appellante nadere medische informatie overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Tamer voornoemd. Het Uwv is -met bericht- niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als stekplukster voor 38 uur per week. Op 10 januari 1994 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten en schildklierklachten. Met ingang van 9 januari 1995 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. In 2005 heeft in het kader van het aangepast Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid. Bij besluit van 10 maart 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante herzien en met ingang van 11 mei 2006 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
1.3. Bij besluit van 11 oktober 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 10 maart 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit -samengevat- geoordeeld geen aanleiding te zien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante door de primaire verzekeringsarts op het spreekuur is gezien en dat deze arts op basis van zijn bevindingen uit dit onderzoek, waaronder eveneens verkregen informatie van de behandelend sector en de bevindingen van de door hem ingeschakelde psychiater J.A.H. Koelen, een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld. Voorts heeft de rechtbank erop gewezen dat in deze FML beperkingen zijn opgenomen waarvan de bezwaarverzekeringsarts heeft gesteld dat deze beperkingen voldoende tegemoet komen aan appellantes klachten. De rechtbank heeft er tot slot op gewezen dat appellante geen medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van beide verzekeringsartsen en dat mede in verband hiermee het inwinnen van een medisch deskundigenadvies niet noodzakelijk is.
2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat mede in aanmerking genomen de in beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 augustus 2007 voldoende toelichting is gegeven bij de geschiktheid van appellante voor de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies en dat met deze toelichting de geschiktheid van appellante voor deze functies voldoende is gemotiveerd. Nu eerst in de loop van de beroepsprocedure alle mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn voorzien van de vereiste motivering heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel, doch tevens aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
3. Appellante is in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij door de rechtbank is geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Zij heeft in hoger beroep volhard in haar stelling dat door de verzekeringsartsen ten onrechte geen informatie is ingewonnen bij de behandelend psychiater en dat mede om die reden het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onzorgvuldig is.
4.1. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en het door haar daarop gebaseerde oordeel met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit en maakt die tot de zijne. Wat appellante ter onderbouwing van haar hoger beroep heeft aangevoerd vormt, in de kern, een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog, uitgaande van de datum in geding 11 mei 2006, twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zoals weergegeven in de FML.
4.2. Het door appellante ter zitting nogmaals aangevoerde argument dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig is nu geen informatie is ingewonnen bij de behandelend psychiater, volgt de Raad niet. De Raad overweegt hiertoe het volgende. Uit de gedingstukken, waaronder de vragenlijst van 17 juli 2005 welke ter voorbereiding op haar herbeoordeling door appellante is ingevuld en de door de verzekeringsarts verkregen informatie van de huisarts, leidt de Raad af dat appellante tot 1999 bij de Riagg onder behandeling is geweest. Deze behandeling is destijds door appellante wegens gebrek aan effectiviteit beëindigd. Dat appellante nadien, en met name op danwel rond de datum in geding (weer) onder behandeling was van een psychiater, blijkt niet uit de in het dossier aanwezige gedingstukken en is ter zitting van de Raad niet onderbouwd.
4.3. Gelet op de in hoger beroep door appellante overgelegde medische stukken merkt de Raad nog op dat in dit geding slechts wordt geoordeeld over de mate van arbeidsongeschiktheid op 11 mei 2006. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden.
4.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank, voorts van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.
4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2009.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) I.R.A. van Raaij.
MH