ECLI:NL:CRVB:2009:BI9810

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6751 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens herstel belastbaarheid

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen per 2 februari 2007, omdat hij volgens het UWV niet langer wegens ziekte ongeschikt was voor zijn arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat zijn medische beperkingen, waaronder chronische pijn en medicatiegebruik, onvoldoende waren meegewogen en verzocht om een onafhankelijk medisch onderzoek.

De Raad overwoog dat het begrip 'zijn arbeid' in dit geval ten minste één van de functies betreft die bij de WAO-beoordeling waren vastgesteld en dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig was uitgevoerd. Er waren geen objectieve medische afwijkingen gevonden die een andere beoordeling rechtvaardigden.

De Raad vond geen aanleiding om het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts te betwijfelen en wees het verzoek om een onafhankelijk medisch deskundige af. De brief van de arbeidsdeskundige van het UWV bevatte geen nieuwe medische gegevens die het oordeel konden beïnvloeden. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het beroep van appellant ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

07/6751 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 oktober 2007, 07/1897 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Deij, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.H.A. Olthof.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
2. Bij besluit van 31 januari 2007 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat hij met ingang van 2 februari 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat hij toen niet meer wegens ziekte of gebrek ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid werd geacht. Bij besluit van 25 april 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 januari 2007 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4.1. Appellant heeft in hoger beroep tegen die uitspraak aangevoerd dat hij medisch meer beperkt is dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Met name is de belastbaarheid van rug, nek, schouders en voeten overschat. Ten onrechte is voorbijgegaan aan zijn chronische pijnklachten, die veel energie van zijn toch al niet sterke gestel vragen, en aan het veelvuldig medicatiegebruik. Een urenbeperking was volgens appellant aangewezen. Appellant verwijst naar een verklaring van zijn huisarts van 16 augustus 2007. Hij meent dat de door hem te verrichten functies op onjuiste gronden zijn vastgesteld. Hij verzoekt de Raad een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen voor het verrichten van een onderzoek.
4.2. Appellant wijst voorts op de uitkomst van een herbeoordeling op basis van het aangepaste Schattingsbesluit die volgens een brief van een arbeidsdeskundige van het Uwv van 26 februari 2008 heeft geleid tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100% in 2008. Dat appellant ongeschikt wordt geacht voor zowel zijn eigen werk als andere functies, is volgens appellant ook in de onderhavige procedure van belang.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.
5.3. In dit geval geldt als “zijn arbeid” ten minste één van de appellant bij de WAO-beoordeling per 15 juli 2003 voorgehouden functies, voor zover die na de correctie van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) per 24 maart 2006 nog voor appellant geschikt werden geacht. Het gaat om de functies machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122), productiemedewerker textiel (geen kleding) (sbc-code 272043) en productiemedewerker (sbc-code 111180).
5.4. Appellant is naar aanleiding van zijn ziekmelding per 19 juni 2006 vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving, laatstelijk op 29 januari 2007 op het spreekuur van de ZW-arts geweest. Deze heeft kennis genomen van inlichtingen van de behandelend revalidatiearts van appellant van 7 december 2006, en op grond van zijn onderzoek vastgesteld dat appellant onverminderd geschikt was te achten voor de eerder aan hem voorgehouden functies. Dit medisch oordeel is bevestigd door de bezwaarverzekeringsarts, die blijkens zijn rapport van 20 april 2007 appellant heeft onderzocht en tot dezelfde bevindingen kwam als de ZW-arts. Uit eigen onderzoek, de gegevens in het dossier en de bevindingen van de behandelaars, waaronder een brief van de revalidatiearts van 6 april 2007, bleken de bezwaarverzekeringsarts geen medische objectiveerbare afwijkingen die een andere belastbaarheid zouden rechtvaardigen.
5.5. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het medische oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig verricht.
5.6. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Appellant heeft zijn stelling dat hij op de datum hier in geding, 2 februari 2007, minder belastbaar was dan het Uwv heeft aangenomen, niet met medische gegevens onderbouwd. Met de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad acht zich voldoende voorgelicht en ziet geen grond een onafhankelijke medisch deskundige te raadplegen. De brief van de arbeidsdeskundige van het Uwv van 26 februari 2008 bevat geen medische gegevens en werpt ook overigens geen ander licht op de toestand van appellant op de datum die hier ter beoordeling staat.
5.7. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) E.M. de Bree.
KR