ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0718

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3700 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks betwisting medische en arbeidskundige grondslag

Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn WAO-uitkering, waarbij het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid had verlaagd van 80-100% naar 25-35%. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege onvoldoende motivering van de arbeidskundige beoordeling, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het UWV in beroep een nadere toelichting gaf.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de medische beoordeling onjuist was en dat hij de geduide functies niet daadwerkelijk kon vervullen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen reden was om te twijfelen aan het medische oordeel van de verzekeringsartsen en dat de opvatting van de huisarts onvoldoende gewicht had. De Raad vond de toelichting van het UWV over de geschiktheid van de functies voldoende gemotiveerd.

De Raad benadrukte dat de schatting van arbeidsongeschiktheid gebaseerd is op theoretische arbeidsmogelijkheden en dat het niet vereist is dat appellant daadwerkelijk die functies kan verwerven. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen aanleiding gezien voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

08/3700 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 juni 2008, 06/9387
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Deen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R.A.C. Rijk.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank, gelet op de gedingstukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat bij het Uwv bij het thans bestreden op bezwaar genomen besluit van 19 oktober 2006 zijn besluit van 10 mei 2006 heeft gehandhaafd. Bij laatstgenoemd besluit is de aan appellant eerder naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Militairen met ingang van 28 juni 2006 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
2.1. De rechtbank heeft ten aanzien van de medische grondslag van de arbeidsongeschiktheidsschatting als haar oordeel gegeven dat zij geen grond heeft te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op de door de bezwaarverzekeringsarts in verband met een zogeheten verborgen beperking aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en diens rapport van 23 oktober 2007, waarin een reactie is gegeven op de door appellant in beroep ingebrachte inlichtingen van de internist, de gastro-enteroloog, de longarts, de reumatoloog en de huisarts. De rechtbank heeft in de brief van 24 april 2008 van zijn huisarts R.P.J.M. Crijns, waarop appellant zich ter zitting heeft beroepen, geen aanknopingspunten gevonden om de medische oordeelsvorming voor onjuist te houden.
2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat, bezien in het licht van de in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 en 12 oktober 2006 neergelegde eisen die moeten worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van schattingsbesluiten met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voorbereid en genomen. De rechtbank heeft om die reden, onder gegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep, het bestreden besluit vernietigd. De rechtsgevolgen van dit besluit heeft de rechtbank in stand gelaten, omdat in beroep bij rapport van 12 december 2006 door de bezwaararbeidsdeskundige alsnog een afdoende toelichting is gegeven op de geschiktheid voor appellant van de aan de schatting ten grondslag liggende functies. Met deze functies kan appellant naar het oordeel van de rechtbank een zodanig inkomen verwerven dat in vergelijking met het maatmaninkomen een verlies aan verdiencapaciteit bestaat van 26,94%, zodat terecht de arbeidsongeschiktheidsuitkering is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
3.1. In hoger beroep heeft appellant opnieuw gewezen op de door de huisarts afgegeven verklaring van 24 april 2008. De huisarts heeft daarin een overzicht gegeven van de bij appellant bestaande medische problemen en gewezen op de beschikbare brieven van de behandelende specialisten. Naar het oordeel van de huisarts zal geen werkgever een baan hebben voor appellant. Na een dag werken is hij weer uitgeschakeld. Het is overduidelijk dat appellant niet kan werken, hoewel dit mogelijk op theoretische gronden een positief therapeutisch effect zou kunnen hebben.
3.2. Het Uwv heeft in reactie hierop bij verweerschrift een rapport van de bezwaarverzekeringsarts ingezonden. Deze concludeert dat de gegevens van de huisarts voor het merendeel al bekend waren en geen nieuwe bevindingen, behoudens de vermelding van suikerziekte, opleveren met betrekking tot de medische toestand van appellant. Daarvan heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat bij eerdere bloedonderzoeken van de internist suikerziekte niet genoemd wordt, zodat moet worden aangenomen dat dit een bevinding van recente datum is. Overigens is de bezwaarverzekeringsarts van mening dat suikerziekte in het algemeen niet meer beperkingen oplevert dan in de FML ten behoeve van de onderhavige schatting al zijn opgenomen. Ter zitting is weliswaar twijfel gerezen of niet een beperking met betrekking tot onregelmatige werktijden, in het geval dat suikerziekte aannemelijk wordt geacht, in de FML had behoren te worden opgenomen, maar daartegenover staat, aldus het Uwv dat in de geduide functies ook geen sprake is van dergelijke werktijden. De Raad volgt het Uwv daarin en ziet ook geen reden om overigens aan de opvatting van de huisarts dat appellant niet kan werken het gewicht toe te kennen dat appellant daaraan gehecht wil zien.
3.3. Appellant heeft voorts in hoger beroep aangevoerd dat de geduide functies geen functies zijn die hij daadwerkelijk kan vervullen ondanks zijn beperkingen. Dienaangaande overweegt de Raad dat met de in beroep door het Uwv gegeven toelichting voor de Raad afdoende de geschiktheid van de functies is gemotiveerd. Voor zover appellant met deze grond bedoelt te stellen dat die functies op de arbeidsmarkt voor hem vanwege zijn beperkingen niet bereikbaar zijn, wijst de Raad erop dat de schatting is gebaseerd op een aantal theoretische arbeidsmogelijkheden en dat voor de houdbaarheid van de schatting niet bepalend is of appellant met zijn beperkingen ook daadwerkelijk die functies kan verwerven. Een en ander heeft ook te maken met andere factoren, zoals arbeidsmarktfactoren, die met de medische geschiktheid van appellant voor die functies op zich niet van doen hebben.
4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.M. Tason Avila.
JL