ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.M. van de Kerkhof
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering voorschot WAO-uitkering door UWV
Appellant verzocht om een voorschot op een WAO-uitkering over de periode van 24 maart 2003 tot 1 september 2004. Het UWV weigerde dit voorschot op 24 augustus 2004 en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond bij besluit van 19 mei 2006. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze weigering en oordeelde dat het UWV in redelijkheid tot het besluit had kunnen komen.
In hoger beroep stelde appellant dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat het UWV op de hoogte had kunnen zijn van zijn slechte financiële positie en een hogere na te betalen WAO-uitkering. De Raad overwoog dat nader onderzoek nodig was naar bijstandsuitkering, WW-uitkering en loondoorbetaling om de definitieve WAO-berekening te maken. Op basis van de toen bekende gegevens ging het UWV uit van een gering bedrag en kon het in redelijkheid het voorschot weigeren.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en oordeelde dat het feit dat later een bedrag van € 2.183,30 werd toegekend, niet afdoet aan de redelijkheid van het eerdere besluit. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Bolt en leden Van de Kerkhof en Bedee op 1 juli 2009.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de redelijke weigering van het UWV om een voorschot op de WAO-uitkering te betalen.