ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1785

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1760 en 08-2225 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering en korting inkomsten ondanks niet-gemelde werkzaamheden

Appellant, die sinds 1995 een WAO-uitkering ontvangt wegens rugklachten, werkte in de periode van 1 januari 2003 tot 1 maart 2004 zonder dit aan het UWV te melden. Hij factureerde in die periode €17.412,20, maar hield geen boekhouding bij. Het UWV schatte op basis van beschikbare gegevens de arbeidsinkomsten en paste daarop een korting toe op de WAO-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 55 tot 65%.

De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en beval een nieuw besluit, omdat de geschiktheid voor de voorgehouden functies onvoldoende was toegelicht. Het UWV nam vervolgens een nieuw besluit met een arbeidskundig rapport dat deze geschiktheid toelichtte. Appellant voerde aan dat hij betalingen aan onderaannemers deed en dat de berekening van het UWV onjuist was, en stelde tevens psychische klachten te hebben.

De Raad oordeelt dat appellant geen bewijs leverde van betalingen aan derden en dat het UWV terecht uitging van de gefactureerde bedragen. De schatting van het UWV werd als redelijk beoordeeld. Medische rapporten werden onderschreven en appellant was niet onder behandeling voor psychische klachten. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van 18 maart 2008.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering en verklaart het beroep tegen het besluit van 18 maart 2008 ongegrond.

Uitspraak

08/1760 en 08/2225 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 februari 2008, 07/1110 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)
Datum uitspraak: 3 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant stelde mr. L. Veenstra, advocaat te Arnhem, hoger beroep in.
Het Uwv voerde verweer en bracht zijn ter uitvoering van de aangevallen uitspraak geslagen besluit van 18 maart 2008 in het geding.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 12 juni 2009, waar appellant niet verscheen en het Uwv zich liet vertegenwoordigen door M. Tiemersma.
II. OVERWEGINGEN
1. Het beroep richt zich tegen het besluit van 25 september 2006 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij handhaaft appellant de verlaging van appellants WAO-uitkering per 19 juni 2006 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% en besluit hij tot de korting van inkomsten over de periode van 1 januari 2003 tot 1 maart 2004 alsof appellant 55 tot 65% arbeidsongeschikt is.
2. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit van 25 september 2006 en droeg het Uwv op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant. Volgens de rechtbank is de korting van inkomsten juist, ging het Uwv bij de verlaging van de uitkering uit van juiste medische beperkingen, maar liet hij na om de geschiktheid van de appellant voorgehouden functies afdoende toe te lichten.
3. Het besluit van 18 maart 2008 strekt tot dezelfde uitkomst als het besluit van 25 september 2006. Met het arbeidskundig rapport van 28 februari 2008 is de geschiktheid van de aan appellant voorgehouden functies toegelicht.
4. 1. Over de volgende feiten zijn partijen het eens en ook de Raad gaat hiervan uit.
4.2. Appellant staakte in december 1995 zijn werk als tegelzetter wegens rugklachten en in verband daarmee ontvangt hij een WAO-uitkering, laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
4.3. In het tijdvak van 1 januari 2003 tot 1 maart 2004 werkte appellant zonder dat hij daarvan het Uwv op de hoogte bracht. Over dat tijdvak factureerde hij € 17.412,20 en zijn opdrachtgevers betaalden dat bedrag aan hem. Het schrijfuurloon bedroeg € 35,-, voor een deel van het tegelwerk rekende appellant een prijs per vierkante meter. Appellant hield geen boekhouding bij.
4.4. Een arts onderzocht appellant en gaf de medische beperkingen als gevolg van appellants ruglachten weer in een zogenaamde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Ook de bezwaarverzekeringsarts onderzocht appellant. Hij is het eens met de door de verzekeringsarts in kaart gebrachte belastbaarheid.
4.5. Aan de hand van de FML selecteerde de arbeidsdeskundige een aantal voor appellant geschikte functies waarmee hij in theorie ruim 58% van zijn geïndexeerde loon als tegelzetter kan verdienen.
5. In hoger beroep voert appellant aan dat hij het overgrote deel van de door hem gefactureerde bedragen doorbetaalde aan voor hem werkzame onderaannemers. De berekening van zijn feitelijke verdiensten baseert het Uwv ten onrechte alleen op het schrijfuurloon, omdat appellant het tegelwerk op basis van een vierkante meterprijs afrekende. Tenslotte stelt appellant dat hij naast zijn rugklachten op 19 juni 2006 psychische klachten ondervond.
6. De Raad overweegt het volgende.
6.1. Het besluit van 18 maart 2008 komt niet aan het beroep tegemoet. Het beroep richt zich daarom mede tegen dat besluit.
6.2.1. Appellant bracht geen bewijs bij van de door hem gestelde betalingen aan derden. Daarom kon het Uwv uitgaan van de factuurbedragen zoals deze aan appellant zijn betaald.
6.2.2. Appellant meldde zijn werk en inkomsten niet aan het Uwv en hield geen boekhouding bij. Het Uwv mag dan, dat is vaste rechtspraak van de Raad, de arbeidsinkomsten schatten aan de hand van de gegevens die (wel) naar voren kwamen. De schatting van het Uwv is redelijk. De facturen bouwde appellant deels op aan de hand van een uurtarief en een urenspecificatie. Een ander deel van de facturen berekende hij met een vierkante meterprijs zonder urenspecificatie, waardoor een betere schatting niet (goed) mogelijk is.
6.3. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank over de medische component. Appellant bracht tegenover de rapporten van de (bezwaar-)verzekeringsarts geen medische informatie in. Hij was op 19 juni 2006 niet onder medische behandeling voor psychische klachten.
6.4. Met het arbeidskundig rapport van 28 februari 2008 is de geschiktheid van de appellant voorgehouden functies voldoende toegelicht.
7. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 maart 2008 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.M. Tason Avila.
GdJ