ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering en korting inkomsten ondanks niet-gemelde werkzaamheden
Appellant, die sinds 1995 een WAO-uitkering ontvangt wegens rugklachten, werkte in de periode van 1 januari 2003 tot 1 maart 2004 zonder dit aan het UWV te melden. Hij factureerde in die periode €17.412,20, maar hield geen boekhouding bij. Het UWV schatte op basis van beschikbare gegevens de arbeidsinkomsten en paste daarop een korting toe op de WAO-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 55 tot 65%.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en beval een nieuw besluit, omdat de geschiktheid voor de voorgehouden functies onvoldoende was toegelicht. Het UWV nam vervolgens een nieuw besluit met een arbeidskundig rapport dat deze geschiktheid toelichtte. Appellant voerde aan dat hij betalingen aan onderaannemers deed en dat de berekening van het UWV onjuist was, en stelde tevens psychische klachten te hebben.
De Raad oordeelt dat appellant geen bewijs leverde van betalingen aan derden en dat het UWV terecht uitging van de gefactureerde bedragen. De schatting van het UWV werd als redelijk beoordeeld. Medische rapporten werden onderschreven en appellant was niet onder behandeling voor psychische klachten. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van 18 maart 2008.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering en verklaart het beroep tegen het besluit van 18 maart 2008 ongegrond.