ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1832

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5480 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verhoging WAO-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling

Appellante verzocht om verhoging van haar WAO-uitkering, welke door het UWV was geweigerd op basis van een medische beoordeling die haar arbeidsongeschiktheid op 45 tot 55% schatte. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat geen aanwijzingen waren dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was uitgevoerd of dat het oordeel onjuist was.

In hoger beroep herhaalde appellante dat haar beperkingen werden onderschat. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat er geen objectief-medische aanknopingspunten waren om deze stelling te ondersteunen. De Raad baseerde zich op medische gegevens van diverse artsen, waaronder de huisarts, psychiater en radioloog, die door de verzekeringsartsen waren betrokken. Ook het onafhankelijke expertise-rapport van psychiater Kazemier, waarin werd vastgesteld dat na 17 maart 2006 geen relevante medische ontwikkelingen waren, ondersteunde het oordeel van het UWV.

De Raad vond geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. De weigering tot verhoging van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de WAO-uitkering van appellante te verhogen.

Uitspraak

08/5480 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 augustus 2008, 07/8972 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.S.J. de Korte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2009. Appellante is – met voorafgaand bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 26 januari 2007 heeft het Uwv geweigerd om de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, ingaande april 2006 te verhogen.
1.2. Bij besluit van 22 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 januari 2007 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien het medisch onderzoek door de betreffende verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig te achten. Evenmin acht de rechtbank aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat het medisch oordeel van de verzekeringsartsen niet juist is. De rechtbank heeft zich daarbij mede laten leiden door de conclusies van het onafhankelijk expertise-onderzoek dat de psychiater M. Kazemier in haar opdracht naar de gezondheidssituatie van appellante heeft verricht in het kader van de door appellante gevoerde procedure onder nummer 06/5455 WAO.
3. In hoger beroep heeft appellante voornamelijk herhaald dat haar beperkingen zijn onderschat.
4. De Raad overweegt het volgende.
5. Met betrekking tot de grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, evenals de rechtbank, geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies daarvan. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens, afkomstig van appellantes huisarts, psychiater en radioloog, bieden voor die opvatting van appellante geen steun. De bevindingen van deze artsen zijn overigens door de betreffende verzekeringsartsen in hun beoordeling betrokken. Het is de Raad niet gebleken dat met die bevindingen onvoldoende rekening zou zijn gehouden. De informatie waarnaar appellante in hoger beroep verwijst bevat over de lichamelijke gesteldheid van appellante en de medische behandeling op de in geding zijnde datum geen andere informatie dan reeds bij het Uwv bekend was. Ten slotte overweegt de Raad, evenals de rechtbank, dat psychiater Kazemier in zijn rapport van 7 september 2007, uitgebracht naar aanleiding van onderzoek van appellante op 22 juni 2007, heeft verklaard dat er bij appellante na de datum van 17 maart 2006 geen sprake is van relevante medische ontwikkelingen.
6. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009.
(get.) H. Bolt
(get.) I.R.A. van Raaij
EV