ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1982
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en ziekengeld in het kader van de Ziektewet
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 24 juni 2009 uitspraak gedaan in hoger beroep over de arbeidsongeschiktheid van appellant, die zich op 21 februari 2005 ziek had gemeld als conciërge. De appellant had klachten van hoofdpijn, duizeligheid en vermoeidheid, en zijn dienstverband eindigde op 1 juli 2005. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had in een besluit van 11 juli 2006 vastgesteld dat appellant niet meer ongeschikt werd geacht voor zijn werk. Dit besluit werd in een later besluit van 8 januari 2007 bevestigd, waarop appellant in beroep ging bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat appellant deed besluiten om in hoger beroep te gaan.
De Raad overwoog dat de verzekeringsarts had vastgesteld dat er energetische beperkingen waren, maar dat er geen psychiatrische stoornis of andere ziekte of gebrek was vastgesteld. De Raad concludeerde dat appellant in staat was zijn arbeid te verrichten, ook al had hij migraine-aanvallen. De Raad benadrukte dat appellant geen medische stukken had ingediend die de medische beoordeling van de verzekeringsartsen in twijfel trokken. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de Standaard verminderde arbeidsduur niet van toepassing was in het kader van de Ziektewet, aangezien deze standaard alleen geldt voor arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen.
De uitspraak van de Raad bevestigt dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid en het recht op ziekengeld strikt gebaseerd moet zijn op objectieve medische vaststellingen, en dat de appellant niet voldoende bewijs had geleverd om zijn claims te onderbouwen. De Raad oordeelde dat de eerdere besluiten van het Uwv terecht waren en dat er geen aanleiding was om de uitspraak van de rechtbank te herzien.