ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2014

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1520 MAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening van een eerdere uitspraak inzake ambtenarenrecht

In deze zaak heeft verzoeker, een ambtenaar, verzocht om herziening van een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 juni 1989, waarin werd geoordeeld dat de minister van Defensie op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het Voorschrift bevordering schepelingen. Verzoeker stelde dat hij beschikte over een nieuw getuigschrift, gedateerd 25 januari 1991, dat zijn functioneren als goed tot zeer goed kwalificeerde. Dit getuigschrift werd overgelegd ter ondersteuning van zijn verzoek om herziening, in de hoop dat de Raad tot een andere uitspraak zou komen.

De Centrale Raad van Beroep heeft het verzoek om herziening afgewezen. De Raad overwoog dat het getuigschrift niet voldeed aan de vereisten van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het getuigschrift dateerde van na de eerdere uitspraak en had geen betrekking op de periode waarover de eerdere uitspraak ging. De Raad benadrukte dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak, tenzij er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die niet eerder bekend waren.

De uitspraak van 25 juni 2009 bevestigde dat verzoeker niet in aanmerking kwam voor herziening, omdat de aangevoerde argumenten niet konden leiden tot een andere beslissing. De Raad concludeerde dat er geen termen aanwezig waren om proceskosten te vergoeden. De beslissing werd openbaar uitgesproken door K. Zeilemaker, met K. Moaddine als griffier.

Uitspraak

08/1520 MAW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoeker),
om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 juni 1989, nr.1988/65,
in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Defensie (hierna: minister)
Datum uitspraak: 25 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 juni 1989, nr 1988/65.
De minister heeft een reactie ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2009, waar verzoeker is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Rentema-Westerhof, werkzaam bij het ministerie van Defensie.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Bij de uitspraak van 13 juni 1989 heeft de Raad geoordeeld dat de minister ten aanzien van verzoeker op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het Voorschrift bevordering schepelingen en dat de minister terecht heeft vastgesteld dat verzoekers gemiddelde te ver beneden het algemeen gemiddelde lag om per 1 januari 1987 voor bevordering in aanmerking te komen.
3. Verzoeker vraagt zich af of de Raad wellicht tot een andere uitspraak was gekomen indien hij bekend was geweest met het door verzoeker thans overgelegde getuigschrift van 25 januari 1991. In dat getuigschrift, afgegeven ter gelegenheid van verzoekers uitdiensttreding per 1 december 1990, is verklaard dat verzoekers functioneren gedurende de laatste vijf jaren over het algemeen kan worden gekwalificeerd als goed tot zeer goed.
4.1. De Raad overweegt dat hetgeen door verzoeker is aangevoerd niet kan leiden tot inwilliging van zijn verzoek, omdat niet is voldaan aan de in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Awb neergelegde vereisten. Niet alleen moet worden vastgesteld dat het getuigschrift dateert van na de uitspraak waarvan verzoeker herziening vraagt, ook volgt uit de inhoud van het getuigschrift dat het daarin gegeven oordeel over verzoekers functioneren geen betrekking heeft op de periode van 3 april 1980 tot 13 december 1985 waarop die uitspraak ziet. Om die reden had het getuigschrift nimmer tot een andere uitspraak kunnen leiden.
4.2. De Raad wijst er verder nog op dat volgens zijn vaste rechtspraak het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.
5. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen.
6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2009.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) K. Moaddine.
HD