ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2051
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag op grond van CAP-artikel B.9 met toepassing FPU-regeling ondanks gemiste Vendrik-compensatie
Appellant, geboren in 1944 en werkzaam in provinciale dienst tot 1 juli 1996, sloot een beëindigingsovereenkomst waarin hij zich verplichtte deel te nemen aan de FPU-regeling bij de eerstvolgende mogelijkheid, aanvankelijk gepland per 1 januari 2000. In april 2006 vroeg appellant deelname aan de FPU-regeling aan, waarna gedeputeerde staten hem op grond van artikel B.9 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) ontsloegen onder de voorwaarden van de beëindigingsovereenkomst.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het ontslag onterecht was omdat hij niet om ontslag had gevraagd en hij compensatie verlangde voor het mislopen van het Vendrik-effect, een regeling die hem in staat zou stellen langer door te werken en pensioenvoordelen te behalen. De Raad oordeelde dat uit de ondertekening van de beëindigingsovereenkomst en het verzoek tot deelname aan de FPU-regeling een verzoek tot ontslag kan worden afgeleid en dat appellant niet onder druk stond bij zijn aanvraag.
De Raad stelde vast dat volledige pensioenopbouw conform de overeenkomst had plaatsgevonden en dat de overeenkomst niet voorzag in compensatie voor het mislopen van het Vendrik-effect. De bedoeling van partijen was dat appellant zo spoedig mogelijk van de FPU-regeling gebruik zou maken, niet dat hij zelf het moment zou kiezen. Het feit dat appellant daardoor voordelen misloopt, doet niet af aan de rechtmatigheid van het ontslag.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het ontslag op grond van artikel B.9 CAP wordt bevestigd zonder compensatie voor het mislopen van het Vendrik-effect.