ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2210

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6692 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling maatmanloon bij WAO-uitkering op basis van functie verzorgende D

Appellante verzocht om herziening van haar WAO-uitkering, waarbij zij stelde dat het maatmanloon onjuist was vastgesteld omdat het was gebaseerd op het loon van een verzorgende D volgens de CAO Thuiszorg, terwijl zij een hoger bruto maandloon van €6.500,- had afgesproken voor de verzorging van haar zieke moeder.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV het maatmanloon juist had berekend. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat volgens vaste rechtspraak het maatmanloon gebaseerd moet zijn op het loon van een aan de verzekerde soortgelijke persoon op het tijdstip van aanvang van arbeidsongeschiktheid, tenzij dat loon geen juiste afspiegeling vormt.

De Raad acht de verdiensten bij de moeder van appellante geen juiste afspiegeling van het loon van een soortgelijke persoon en vindt de motivering van het UWV, gebaseerd op de functieomschrijving van verzorgende D, voldoende. De taken komen grotendeels overeen en de vaststelling van het maatmanloon is daarmee juist. Er is geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het maatmanloon terecht is vastgesteld op basis van het loon van een verzorgende D volgens de CAO Thuiszorg en wijst het beroep af.

Uitspraak

07/6692 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 oktober 2007, 06/2760 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2009. Appellante is, zoals aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M van Nederveen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 2 november 2005 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 21 maart 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 januari 2007 heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard en heeft appellante ingaande 21 maart 2004 voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt beschouwd.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 29 januari 2007, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen, kort weergegeven, dat het Uwv het maatmanloon van appellante juist heeft berekend door uit te gaan van het loon van een ‘verzorgende D’ als bedoeld in de CAO Thuiszorg.
4. In hoger beroep is door appellante aangevoerd, kort weergegeven, dat bij de vaststelling van het maatmanloon ten onrechte is afgeweken van het bruto maandloon van € 6.500,-, dat zij in het kader van de verzorging van haar zieke moeder met haar was overeengekomen.
5. De Raad overweegt het volgende.
5.1. Voor een nadere uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
5.2. De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen de vraag betreft of het Uwv het maatmanloon juist heeft vastgesteld.
5.3. Volgens vaste rechtspraak dient voor de toepassing van de WAO voor de vaststelling van het maatmanloon als uitgangspunt te worden genomen wat de aan de verzekerde soortgelijke persoon met zijn maatgevende arbeid verdiende op het tijdstip van aanvang van arbeidsongeschiktheid. In beginsel is dit het inkomen dat de verzekerde bij zijn laatste werkgever zou hebben genoten indien hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, tenzij moet worden gezegd dat die inkomsten geen juiste afspiegeling vormen van de verdiensten van de aan de verzekerde soortgelijke persoon.
5.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de verdiensten van appellante bij haar moeder geen juiste afspiegeling vormen van de verdiensten van de aan appellante soortgelijke persoon. De Raad ziet in de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv van 25 januari en 5 april 2007 genoegzaam gemotiveerd dat het maatmanloon van appellante dient te worden vastgesteld op basis van het loon in de functie van ‘verzorgende D’ ingevolge de CAO Thuiszorg. De taken volgens de omschrijving van deze functie komen weliswaar niet exact, doch wel grotendeels overeen met de taken die appellante met haar moeder was overeengekomen. De Raad acht dit voldoende.
6. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bedee. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009.
(get.) H. Bedee.
(get.) M.A. van Amerongen.
KR