ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.M. van de Kerkhof
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig fulltime wasserijmedewerkster, ontving sinds 1999 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Na een herbeoordeling in 2006 stelde een verzekeringsarts een Functionele Mogelijkheden Lijst op, waarna het UWV de uitkering introk wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, waaronder een urenbeperking tot 20 uur per week en beperkingen in handelingstempo en persoonlijk risico, onvoldoende waren erkend. Zij overlegde brieven van haar psychiater ter ondersteuning. Het UWV voerde verweer met aanvullende rapportages van de bezwaarverzekeringsarts.
De Raad concludeerde dat er geen verschil van inzicht was over de beperkte draagkracht van appellante, maar dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende had onderbouwd dat bij passend werk geen urenreductie noodzakelijk was. Ook werden beperkingen in handelingstempo en persoonlijk risico niet als stressverhogend erkend. De arbeidskundige rapportages onderbouwden de geschiktheid van de geduide functies. De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de arbeidsongeschiktheid is afgenomen en de beperkingen voldoende zijn beoordeeld.