ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2832
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- G.W.B. van Westen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dagloon en uitkeringshoogte bij beëindiging dienstbetrekking groepsleerkracht
Appellant, een voormalige groepsleerkracht in het openbaar basisonderwijs, stelde zich op het standpunt dat het dagloon voor de WW- en bovenwettelijke uitkering verhoogd moest worden met een deel van de FPU-bijdrage die hij in de referteperiode betaalde. Tevens voerde hij aan dat de Minister het bovenwettelijk dagloon had moeten vaststellen alsof er geen neerwaartse wijziging van de WW-uitkering per 1 januari 2006 had plaatsgevonden.
De Raad stelde vast dat het Uwv en de Minister het dagloon op juiste gronden hadden vastgesteld conform de geldende wettelijke bepalingen, waarbij de FPU-bijdrage terecht niet tot het loon werd gerekend. De Raad oordeelde dat de wijziging in de berekeningssystematiek per 29 december 2005 niet leidde tot een algemene neerwaartse wijziging van de WW-uitkering, zodat artikel 21 van Pro het BBWO niet van toepassing was.
Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak van de rechtbank Leeuwarden bevestigd. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het dagloon correct is vastgesteld zonder toevoeging van de FPU-bijdrage en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.