ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2956
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag eerdere ingangsdatum nabestaanden- en halfwezenuitkering niet gerechtvaardigd
Appellant, die in 1999 een aanvraag deed voor een nabestaanden- en halfwezenuitkering na het overlijden van zijn partner, kreeg aanvankelijk een afwijzing omdat hij niet meewerkte aan een onderzoek. Later werd alsnog een uitkering toegekend met ingang van mei 2004. Appellant stelde dat vanwege psychische problemen door de zelfdoding van zijn partner hij niet in staat was tijdig zijn belangen te behartigen en dat de uitkering daarom eerder had moeten ingaan.
De rechtbank verklaarde het beroep op de eerdere ingangsdatum ongegrond en oordeelde dat geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de ANW. De Raad bevestigt dit oordeel voor de nabestaandenuitkering, aangezien appellant wel degelijk een aanvraag had ingediend en geen bewijs leverde van onvermogen om zijn belangen te behartigen.
Ten aanzien van de halfwezenuitkering oordeelt de Raad dat het besluit van de Sociale Verzekeringsbank in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en aan een motiveringsgebrek lijdt, omdat op de aanvraag uit 1999 niet was beslist. Daarom vernietigt de Raad het besluit over de ingangsdatum van de halfwezenuitkering en beveelt een nieuw besluit.
De Raad veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank tevens in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De ingangsdatum van de halfwezenuitkering wordt herzien en de Svb moet een nieuw besluit nemen; de eerdere ingangsdatum van de nabestaandenuitkering blijft ongewijzigd.