ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning wettelijke rentevergoeding bij onterecht niet genoten WAO-uitkering
Appellant stelde beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch waarin het UWV werd opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen over een WAO-uitkering. Tijdens het hoger beroep nam het UWV een nieuwe beslissing waarin werd erkend dat het oorspronkelijke besluit onjuist was en dat appellant recht had op een volledige uitkering.
De Raad stelde vast dat appellant belang had bij beoordeling van de schadevergoeding en kende op grond van artikel 8:73 Awb Pro vergoeding van de wettelijke rente toe over de ten onrechte niet genoten uitkering. De wijze van berekening werd verwezen naar een eerdere uitspraak van de Raad uit 1995.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens de duur van de procedure werd afgewezen omdat de totale procedureduur minder dan vier jaar bedroeg, waardoor geen schending van de redelijke termijn was vastgesteld. Tevens verwierp de Raad de aanspraken op grond van een interne UWV-richtlijn.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Appellant krijgt vergoeding van wettelijke rente over de ten onrechte niet genoten WAO-uitkering; immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.