Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3263

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/5399 WAZ + 07/5400 WAO + 08/5641 WAO + 08/5642 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbAlgemene wet bestuursrechtInvoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingenWet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluiten UWV over WAZ- en WAO-uitkeringen en terugvordering na verkeersongeval

Appellant stelde hoger beroep in tegen meerdere uitspraken van de rechtbank Zutphen betreffende besluiten van het UWV over de toekenning van WAZ- en WAO-uitkeringen en een terugvordering van uitkeringen wegens inkomsten als zelfstandige.

De kern van het geschil betrof de toepassing van de Amberbepalingen en het overgangsrecht van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) bij de vaststelling van de grondslag voor de uitkeringen. Het UWV had geweigerd een uitkering toe te kennen omdat appellant per einde wachttijd minder dan 25% arbeidsongeschikt was, ondanks een onafgebroken arbeidsongeschiktheidsperiode van 52 weken.

Appellant voerde aan dat de klachten na een verkeersongeval in 2001 een verergering van eerdere rugklachten vormden, waardoor de Amberbepalingen van toepassing zouden zijn. De Raad oordeelde echter dat de klachten niet op dezelfde diagnose terug te voeren zijn en dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en latere arbeidsongeschiktheid. Hierdoor was het UWV terecht niet overgegaan tot toepassing van de Amberbepalingen.

De Raad bevestigde de bestreden uitspraken en oordeelde dat er geen reden was om de besluiten van het UWV te vernietigen of te wijzigen. Ook werd geen aanleiding gezien voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de besluiten van het UWV en wijst het hoger beroep van appellant af.

Uitspraak

07/5399 WAZ + 07/5400 WAO + 08/5641 WAO + 08/5642 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraken van de rechtbank Zutphen van 6 augustus 2007, 02/1217 en 02/1697 en 7 augustus 2008, 07/1877 en 07/1878,
in de gedingen tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 17 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht te Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2009. Voor appellant is verschenen R.T. van Baarlen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een drietal uitspraken van de rechtbank Zutphen, van 6 augustus 2007 en 7 augustus 2008, waarbij -voor zover hier van belang- is geoordeeld over besluiten op bezwaar van 3 september 2004 (besluit I), 10 oktober 2003 (besluit II), 25 september 2007 (besluit III) en van 23 oktober 2007 (besluit IV).
2. Besluit I ziet op de toekenning van naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% berekende uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), met als ingangsdatum 22 januari 2002.
Besluit II ziet op de toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per dezelfde datum en berekend naar een gelijk percentage als genoemd in besluit I.
Bij besluit III heeft het Uwv gehandhaafd het primaire besluit waarin aan appellant is meegedeeld dat zijn uitkering wegens inkomsten als zelfstandige over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 niet wordt uitbetaald.
Bij besluit IV tenslotte is gehandhaafd het besluit tot terugvordering over de voornoemde periode van een bedrag groot € 16.490,16.
3.1. In hoger beroep tegen besluit I heeft appellants gemachtigde aangevoerd van mening te zijn dat de grondslag van appellants WAZ-uitkering onveranderd had moeten worden vastgesteld op het minimumloon; met betrekking tot de besluiten I en II is hij van mening dat hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de toepassing van de Amberbepalingen het enig juiste standpunt is.
3.2. De Raad begrijpt het ingestelde hoger beroep aldus dat appellant zijn aanspraak op de garantie-grondslag, zijnde minimaal het wettelijk minimumloon, voor zijn per 2002 toegekende uitkeringen, ontleent aan de zogenoemde Amberbepalingen in combinatie met het overgangsrecht inzake de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ingevolge de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet van 24 april 1997, Stb. 1997, 178). Een hogere grondslag met betrekking tot besluit I, die het gevolg zou zijn van toepassing van Amber met betrekking tot de besluiten I en II, zou vervolgens ook consequenties hebben voor de besluiten III en IV.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Vast staat dat het Uwv bij besluit van 5 juni 1998 geweigerd heeft om aan appellant met ingang van 9 april 1998 een uitkering toe te kennen ingevolge de AAW om reden dat hij weliswaar gedurende een periode van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, maar per einde wachttijd minder dan 25% arbeidsongeschikt was. De verzekeringsarts A.J. Brenkman heeft daarbij in zijn rapportage van 14 mei 1998 aangegeven dat appellant beperkt is ten aanzien van rugbelasting als gevolg van lage rugklachten met radiculaire klachten links bij een kleine HNP.
4.2. Op 23 januari 2001 is appellant betrokken geraakt bij een verkeersongeval als gevolg waarvan hij een cervicaal whiplashtrauma heeft opgelopen, aldus de verzekeringsarts Brenkman in zijn rapport van 6 november 2001.
4.3. In hoger beroep heeft appellants gemachtigde aangevoerd dat bij vergelijking van de twee zich in het dossier bevindende belastbaarheidspatronen blijkt dat de al bestaande (rug)beperkingen door het auto-ongeval zijn toegenomen.
4.4. Hoewel de Raad deze constatering op zichzelf wel onderschrijft, ziet hij het hoger beroep niet slagen.
4.5. De enkele omstandigheid dat in beide arbeidsongeschiktheidsgevallen (deels) wordt uitgegaan van (rug)klachten, die overigens -naar onbestreden is gebleven- niet op dezelfde diagnose zijn terug te voeren, is onvoldoende om zonder meer aan te nemen dat sprake is van dezelfde ziekteoorzaak als bedoeld in de vorengenoemde Amberbepalingen.
4.6. In het geval van appellant staat buiten kijf dat geen sprake is van een verergering of terugkeer van de ziekte of het gebrek ter zake waarvan appellant eerder de wachttijd heeft volgemaakt. De uitval op 23 januari 2001 heeft evident een andere oorzaak. Het ontbreken van een oorzakelijk verband van die uitval met het eerdere arbeidsongeschiktheidsgeval brengt mee dat aan de voor toepassing van de Amberbepalingen in beginsel aanwezig geachte causaliteit (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 25 april 2001, LJN AL1255 en 20 april 2004, LJN AO0012) niet wordt toegekomen.
5. Dat betekent dat het Uwv terecht een grondslag heeft berekend van de WAZ-uitkering zonder toepassing te geven aan specifieke bepalingen die de grondslag in Amber-situaties regelen. Tegen de aangevallen uitspraken voor zover die betrekking hebben op de anticumulatie en de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd. De Raad ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen reden om te oordelen dat de rechtbank de bestreden besluiten, voor zover hierop betrekking hebbend, ten onrechte in stand heeft gelaten.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2009.
(get.) D.J. van der Vos
(get.) M.A. van Amerongen
EV