ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3647
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WGA-uitkering met vastgesteld dagloon door UWV
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn dagloon door het UWV in het kader van een WGA-uitkering. Het UWV had het dagloon vastgesteld op € 69,74, gebaseerd op het feitelijk door appellant ontvangen loon van € 1361,34 per maand gedurende de laatste twaalf maanden van zijn dienstverband.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak bevestigd. Appellant stelde dat het ontvangen loon netto was en dat het bruto-inkomen hoger had moeten worden vastgesteld, omdat de werkgever premies en loonheffing niet had ingehouden. Echter, appellant kon dit niet met objectieve en verifieerbare gegevens aantonen.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht is uitgegaan van het feitelijk uitbetaalde loon als bruto loon, mede omdat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen de belastingaangifte over dit bedrag. De overgelegde salarisspecificaties betroffen bovendien niet de relevante referteperiode en konden niet worden toegerekend aan de arbeidsrelatie tussen appellant en zijn voormalige werkgever.
Daarom kon het hoger beroep niet slagen en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht het dagloon heeft vastgesteld op basis van het feitelijk ontvangen loon.