ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3647

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3702 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning WGA-uitkering met vastgesteld dagloon door UWV

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn dagloon door het UWV in het kader van een WGA-uitkering. Het UWV had het dagloon vastgesteld op € 69,74, gebaseerd op het feitelijk door appellant ontvangen loon van € 1361,34 per maand gedurende de laatste twaalf maanden van zijn dienstverband.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak bevestigd. Appellant stelde dat het ontvangen loon netto was en dat het bruto-inkomen hoger had moeten worden vastgesteld, omdat de werkgever premies en loonheffing niet had ingehouden. Echter, appellant kon dit niet met objectieve en verifieerbare gegevens aantonen.

De Raad oordeelde dat het UWV terecht is uitgegaan van het feitelijk uitbetaalde loon als bruto loon, mede omdat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen de belastingaangifte over dit bedrag. De overgelegde salarisspecificaties betroffen bovendien niet de relevante referteperiode en konden niet worden toegerekend aan de arbeidsrelatie tussen appellant en zijn voormalige werkgever.

Daarom kon het hoger beroep niet slagen en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht het dagloon heeft vastgesteld op basis van het feitelijk ontvangen loon.

Uitspraak

08/3702 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2008, 07/3518 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 9 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2009. Namens appellant is verschenen mr. Van Zundert, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden en de relevante wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.
1.1. Bij besluit van 5 april 2007 heeft het Uwv aan appellant vanaf 16 maart 2007 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) een zogeheten WGA-uitkering toegekend met een dagloon van € 69,74. Dit besluit is na bezwaar bij besluit van 13 augustus 2007 gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat appellant verzekerd is voor de sociale werknemersverzekeringswetten en dat appellant een loon van € 1361,34 zonder inhoudingen op zijn bankrekening gestort kreeg.
4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht, bij gebreke aan andere gegevens, bij de berekening van het dagloon is uitgegaan van het door appellant feitelijk gedurende de laatste twaalf maanden van zijn dienstverband ontvangen loon.
4.3. De stelling van appellant dat deze bedragen netto loonbedragen zijn en dat, omdat de voormalige werkgever verplicht was premies sociale verzekeringen en loonheffing in te houden en af te dragen en dit niet gedaan heeft, het Uwv bij de berekening van het dagloon van een hoger bruto-inkomen had moeten uitgaan, kan de Raad niet volgen. Appellant heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk kunnen maken dat er met de werkgever wel een nettoloon afspraak was gemaakt. Integendeel, blijkens de gedingstukken was de situatie van appellant zo dat hij maandelijks een bedrag van
€ 1361,34 op zijn bankrekening kreeg gestort waarover hij later aan de Belastingdienst inkomstenbelasting moest betalen. Hiertegen heeft appellant nimmer bezwaar gemaakt. Het Uwv mocht er van uitgaan dat in dit geval het uitbetaalde loon het brutoloon is.
4.4. Hieraan kan niet afdoen het gegeven dat de werkgever thans wel loonspecificaties verstrekt. Immers de dienaangaande overgelegde salarisspecificatie betreft niet de hier in geding zijnde referteperiode en voorts kan hieruit niet worden opgemaakt dat het een zelfde arbeidsrelatie betreft als die tussen appellant en zijn ex-werkgever.
4.5. Gezien het voorgaande kan het hoger beroep niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2009.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
DW