ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3655
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugwerkende beëindiging vrijwillige Ziektewetverzekering
Appellant, directeur-grootaandeelhouder van een holding, verzocht het UWV om de vrijwillige verzekering ingevolge de Ziektewet met terugwerkende kracht te beëindigen en betaalde premies vanaf 1 maart 1996 te restitueren. Het UWV weigerde dit omdat het tot de datum van schriftelijke opzegging risico liep en beëindigde de verzekering alleen per de datum van het verzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat het UWV de gedragslijn hanteert om vrijwillige verzekeringen alleen per een toekomstige datum te beëindigen, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. De stelling van appellant dat de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) het risico voor het UWV wegneemt, vormt geen bijzondere omstandigheid.
Verder is niet gebleken dat het UWV nalatig of onzorgvuldig was in zijn informatieplicht. Het UWV heeft vrijwillig verzekerden, waaronder appellant, tijdig en uitdrukkelijk geïnformeerd over de gevolgen van de Wulbz en het advies gegeven de verzekering te beëindigen. Het niet opvolgen van dit advies is voor rekening en risico van appellant.
Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het UWV tot terugwerkende beëindiging van de vrijwillige verzekering wordt bevestigd.