ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3664
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak inzake onredelijke laattijdige bezwaar tegen niet tijdig besluit UWV dagloon
Appellant verzocht op 2 april 2002 om vaststelling van het definitieve dagloon en nabetaling over de periode mei tot november 1996. Pas op 16 november 2006 maakte appellant bezwaar tegen het uitblijven van een besluit, waarna het UWV dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde wegens onredelijke laattijdigheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit van het UWV, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bezwaar onredelijk laat is ingediend, omdat appellant ruim vier jaar na het verzoek pas in rechte opkwam zonder tussentijdse communicatie.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten en wijst een proceskostenveroordeling af. Het hoger beroep wordt daarmee afgewezen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het UWV is onredelijk laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk verklaard.