ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3887
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam in de horeca, viel uit wegens rugklachten en vroeg in juni 2006 een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering omdat appellant niet als arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA werd beschouwd. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast en stelde een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op, waarna arbeidsdeskundigen passende functies selecteerden. Appellant voerde bezwaar aan tegen de overschatting van zijn belastbaarheid en onhaalbaarheid van de functies.
De bezwaarverzekeringsarts en de rechtbank handhaafden het besluit van het UWV. In hoger beroep stelde appellant dat zijn klachten waren verergerd en overhandigde nieuw medisch onderzoek, waaronder een Functional Capacity Evaluation (FCE). De Raad overwoog dat het ging om de situatie op de datum van het besluit en dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De beperkingen in de FML werden bevestigd door medische stukken en het nieuwe onderzoek bood geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Raad concludeerde dat appellant op medische gronden in staat moet worden geacht de voorgehouden functies te vervullen en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak. De weigering van de WIA-uitkering blijft daarmee gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant naar objectieve maatstaven in staat wordt geacht de voorgehouden functies te vervullen.