Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3944

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6816 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 AKWArt. 3 lid 1 AKWArt. 6 lid 1 AKWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering kinderbijslag wegens onvoldoende economische en sociale binding met Nederland

Appellante, die van 1993 tot 2005 in Nederland woonde, vertrok om gezondheidsredenen naar het buitenland en keerde in september 2007 met haar kinderen terug naar Nederland. Zij vroeg kinderbijslag aan, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat zij niet als verzekerde ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) werd aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak.

De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende economische binding met Nederland had, omdat zij afhankelijk was van een bijstandsuitkering en woonde in een opvangcentrum zonder zelfstandige woonruimte. Ook de sociale binding was zwak, aangezien zij nog geen maand in Nederland verbleef en haar partner in het buitenland verbleef. Juridisch was er wel een binding vanwege haar Nederlandse nationaliteit.

Verder stelde de Raad vast dat bij vertrek uit Nederland met het oog op definitieve vestiging elders het ingezetenschap eindigt op de dag na vertrek. Omdat appellante ruim twee jaar afwezig was geweest, was haar ingezetenschap bij terugkomst niet direct hersteld. Gezien het totaalbeeld concludeerde de Raad dat het middelpunt van haar maatschappelijk leven niet in Nederland lag en zij niet verzekerd was voor de AKW. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op kinderbijslag omdat zij niet als verzekerde voor de AKW wordt aangemerkt.

Uitspraak

08/6816 AKW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2008, 08/1438 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 9 juli 2009.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2009, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door haar echtgenoot [naam echtgenoot] en mr. Van Diepen. De Svb heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.1. Appellante die de Nederlandse nationaliteit bezit heeft van 3 augustus 1993 tot en met 15 juni 2005 in Nederland gewoond. Op 15 juni 2005 is appellante om gezondheidsredenen vertrokken naar haar man en kinderen in Tunesië. Vanuit Tunesië is het hele gezin doorgereisd naar de Verenigde Arabische Emiraten in verband met de werkzaamheden van de echtgenoot van appellante. Op 4 september 2007 is appellante met haar vijf kinderen teruggekeerd naar Nederland met de intentie zich in Nederland te vestigen. Met ingang van eveneens 4 september 2007 ontvangt appellante een bijstandsuitkering en met ingang van het vierde kwartaal van 2007 vraagt appellante kinderbijslag aan.
1.2. Bij besluit van 17 december 2007 heeft de Svb appellante medegedeeld dat zij geen recht op kinderbijslag heeft omdat zij niet als verzekerde ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) wordt aangemerkt. Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar heeft de Svb bij besluit van 5 maart 2008 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op de peildatum van het vierde kwartaal van 2007 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat zij niet verzekerd is voor de AKW.
3.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die:
a) - ingezetene is;
b) - geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Niet in geschil is dat appellante op de peildatum van het vierde kwartaal van 2007 niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen.
4.2. Ingevolge artikel 2 van Pro de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van een sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats in Nederland heeft.
4.3. Met betrekking tot de juridische binding van appellante met Nederland is de Raad van oordeel dat deze gelet op de Nederlandse nationaliteit van appellante aanwezig is.
4.4. Ten aanzien van de economische binding van appellante met Nederland is de Raad van oordeel dat deze onvoldoende is. De Raad overweegt daartoe dat appellante was aangewezen op een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand en niet beschikte over zelfstandige woonruimte. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante met haar kinderen is opgenomen in een centrum voor opvang, woonbegeleiding en dagactiviteiten in Amsterdam. Het opvangcentrum heeft als doelstelling tijdelijke hulp te verlenen aan personen die tijdelijk minder goed in staat zijn maatschappelijk zelfstandig te functioneren. De tijdelijke hulpverlening bestaat uit woonbegeleiding en ondersteuning aan vrouwen, kinderen en gezinnen, met als doel hen binnen afzienbare tijd zelfstandig te laten wonen. Uit de opgemaakte huurovereenkomst blijkt dat appellante beschikte over een gemeubileerde kamer en dat er sprake was van medegebruik van douche, toilet en andere gemeenschappelijke ruimten. De ter zitting van de Raad gegeven, niet nader onderbouwde, stelling dat appellante de beschikking had over een eigen keuken, toilet, badkamer, woonkamer, slaapkamers, gangetje en voordeur valt daarmee niet te rijmen.
4.5. Wat de sociale binding van appellante met Nederland betreft is de Raad met de rechtbank van oordeel dat die op de peildatum in geding als zwak dient te worden betiteld. Met name het gegeven dat appellante nog geen maand in Nederland verbleef en dat de partner van appellante in verband met zijn werkzaamheden was achtergebleven in de Verenigde Arabische Emiraten acht de Raad daarbij van belang. Evenmin is de Raad gebleken van een sociaal netwerk in Nederland dat appellante gedurende haar verblijf in Tunesië en de Verenigde Arabische Emiraten in stand heeft gehouden.
4.6. De Raad merkt voorts op dat bij vertrek uit Nederland met het oogmerk zich definitief elders te vestigen, het ingezetenschap eindigt op de datum volgend op die van het feitelijk vertrek uit Nederland. Dit brengt in het geval van appellante, die ruim 2 jaar uit Nederland is weggeweest, mee dat bij terugkomst in Nederland haar ingezetenschap niet direct is hersteld, maar eerst geleidelijk zal ontstaan.
4.7. Gelet op het totaalbeeld van de juridische, economische en sociale factoren ziet de Raad geen ondersteuning voor de stelling van appellante dat het middelpunt van haar maatschappelijk leven op de peildatum van het vierde kwartaal 2007 in Nederland ligt en dat zij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te zijn voor de AKW.
4.8. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
6. Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2009.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.
DW