ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3954
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- G.W.B. van Westen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoogte dagloon bij werkloosheidsuitkering en toepassing loondervingsbeginsel
Betrokkene ontving een WW-uitkering waarvan het dagloon meerdere malen werd herzien. Het geschil betrof de vraag of een met terugwerkende kracht toegekende loonsverhoging uit de cao Huisartsenzorg moest worden meegenomen in de dagloonberekening.
De rechtbank Assen oordeelde dat het Besluit dagloonregels in strijd was met het loondervingsbeginsel van artikel 45 WW Pro, omdat het geen rekening hield met de terugwerkende kracht van de loonsverhoging. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en gaf opdracht tot herberekening.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond. De Raad stelt dat het dagloon moet worden gebaseerd op het door de werkgever opgegeven premieplichtige loon in de referteperiode en dat nabetalingen na deze periode terecht buiten beschouwing blijven. Het loondervingsbeginsel wordt hiermee niet verlaten, omdat het dagloon het historisch genoten loon weerspiegelt.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de loonsverhoging pas na de referteperiode formeel bekrachtigd is en derhalve niet vorderbaar was binnen de referteperiode. Hierdoor is artikel 2, vierde lid, van het Besluit niet van toepassing. De Raad ziet geen grond voor een hogere dagloonvaststelling en wijst het beroep af.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het dagloon is terecht vastgesteld op het premieplichtige loon in de referteperiode.