ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3968
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering en beoordeling medische en arbeidskundige grondslag
Appellante betwistte de intrekking van haar WAO-uitkering door het UWV op grond van een vermeende arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Na bezwaar en een eerdere vernietiging door de rechtbank Utrecht, waarbij onvoldoende motivering werd vastgesteld, werd opnieuw een besluit genomen tot intrekking van de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, gesteund op een rapport van een revalidatiearts en een arbeidsdeskundige.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte niet was uitgegaan van de status quo van haar lichamelijke beperkingen en onvoldoende aandacht had besteed aan de discrepantie tussen medische rapporten. Tevens werd aangevoerd dat haar commentaar op het rapport van de deskundige niet in behandeling was genomen, wat haar belangen schaadde.
De Raad oordeelde dat de rechtbank het faxbericht van appellante met commentaar onterecht buiten beschouwing had gelaten, omdat appellante niet de volle termijn van artikel 8:56 Awb Pro was gegeven om zich voor te bereiden. Hierdoor was het vonnis in strijd met de Awb. De zaak werd niet terugverwezen, maar de Raad verklaarde het beroep ongegrond en bekrachtigde het besluit van het UWV. Tevens werden de proceskosten aan het UWV opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.