ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4008
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de weigering van het UWV om hem een uitkering toe te kennen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV had op 12 september 2006 het besluit genomen dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen uitkering kreeg. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn medische beperkingen, waaronder chronische vermoeidheid en klachten aan zijn voeten na dotterbehandelingen, onvoldoende waren meegewogen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Hij overhandigde een brief van een cardioloog ter onderbouwing.
De Raad overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met persoonlijke onderzoeken door verzekeringsartsen en inbreng van medische rapporten. De klachten van appellant waren duidelijk in kaart gebracht en de medische basis van het besluit was voldoende. De brief van de cardioloog en andere medische stukken gaven geen aanleiding tot een ander oordeel. Ook de arbeidskundige beoordeling dat appellant de geduide functies met beperkingen kan uitvoeren werd bevestigd.
Hoewel appellant onvrede uitte over zijn ontslag en de omgang daarvan door zijn werkgever, achtte de Raad dit niet relevant voor de beoordeling van de WIA-uitkering. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.