ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4698
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van medische geschiktheid voor WIA-uitkering na zorgvuldige toetsing
Appellante stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo die het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond verklaarde. Het UWV had vastgesteld dat appellante per 20 juni 2006 geen recht had op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was.
De rechtbank baseerde haar oordeel op het rapport van een door haar ingeschakelde psychiater, waarin geen aanleiding werd gevonden om het medisch onderzoek van het UWV als onvoldoende zorgvuldig te beschouwen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij door de psychiater niet in staat was haar traumatische jeugdervaringen toe te lichten, welke mogelijk haar klachten verklaren.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was en dat het oordeel van de onafhankelijke deskundige gevolgd moest worden. Er was geen objectief medisch bewijs dat meer beperkingen rechtvaardigde. Ook werd geen reden gezien om een eigen deskundige te benoemen. De Raad bevestigde dat de belastbaarheid van appellante niet werd overschreden door de functies die haar werden voorgehouden.
Gelet op deze overwegingen werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.