ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit anticumulatie arbeidsinkomsten 2003 bij WAO-uitkering
Appellant, voormalig bankdirecteur en groepsleider zakelijke kredieten, ontvangt sinds 1993 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Hij richtte in 1991 een fiscale eenheid op met zijn echtgenote, waarbij de winst fiscaal volledig aan haar werd toegerekend. Na een fraudeonderzoek werd vastgesteld dat appellant feitelijk het grootste deel van het werk verrichtte, met een arbeidsverhouding van circa 80-90% ten opzichte van zijn echtgenote.
Het UWV handhaafde een besluit tot anticumulatie van inkomsten over 2003, waarbij 90% van de winst van de fiscale eenheid aan appellant werd toegerekend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en ook de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad acht het gerechtvaardigd om minimaal 80% van de winst aan appellant toe te rekenen, gelet op zijn opleiding, werkervaring en feitelijke rol in de onderneming.
Het hoger beroep van appellant slaagt niet, en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 7 augustus 2009.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot anticumulatie van inkomsten wordt bevestigd.