ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5412

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-708 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA)Wet Werkloosheidswet (WW)Wet Ziektewet (ZW)DSM IV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na medische en arbeidskundige herbeoordeling

Appellant, voormalig jeugdwerker, kreeg sinds 1994 een WAO-uitkering wegens psychische klachten. Na een herbeoordeling in 2006 door arts Rashidi werd een persoonlijkheidsproblematiek vastgesteld met beperkingen in sociaal functioneren, wat leidde tot een arbeidskundig verlies van verdienvermogen van 12,04%. Op basis hiervan trok het Uwv de WAO-uitkering in.

In de bezwaarprocedure bracht de behandelend psychiater van appellant, Jessurun, een andere diagnose naar voren en stelde volledige arbeidsongeschiktheid vast. De bezwaarverzekeringsarts De Brouwer voerde echter een eigen onderzoek uit en onderschreef de eerdere bevindingen, waarbij hij de visie van Jessurun betwistte.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige onderbouwing van het besluit. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad volgde het oordeel van de rechtbank en het arbeidskundig onderzoek, en vond geen reden de beslissing te wijzigen.

De Raad concludeerde dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende waren om de intrekking van de WAO-uitkering te rechtvaardigen en bevestigde het bestreden besluit. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens voldoende medische en arbeidskundige gronden.

Uitspraak

08/708 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 december 2007, 06/8739 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 augustus 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2009.
Appellant is – zijn gemachtigde met kennisgeving – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant was werkzaam als jeugdwerker toen hij zich met ingang van 12 juli 1993 ziek meldde met psychische klachten. Aan appellant is met ingang van 11 juli 1994 een uitkering op grond van onder andere de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
2. Appellant is in het kader van een herbeoordeling op 3 april 2006 onderzocht door de arts A.A. Rashidi. Deze stelde in zijn rapport van dezelfde datum als diagnose persoonlijkheidsproblematiek met antisociale en borderline kenmerken en formuleerde in verband daarmee een aantal beperkingen welke hij vastlegde in rubriek 2 (sociaal functioneren) van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding een verlies aan verdienvermogen van 12,04% berekend. Hierna trok het Uwv bij besluit van 20 juni 2006 de WAO-uitkering van appellant in met ingang van 20 augustus 2006.
3.1. In de bezwaarprocedure kreeg de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer de beschikking over informatie van de appellant behandelend psychiater R.W. Jessurun. Deze stelde in een brief van 19 september 2006 volgens de DSM IV-criteria op As I de diagnose matig depressieve stoornis, recidiverend, chronische afhankelijkheid van verschillende middelen en een relationeel probleem gebonden aan een psychische stoornis. Op As II vermeldde Jessurun een persoonlijkheidsstoornis NAO, welke volgens hem in feite de hoofddiagnose was. Volgens Jessurun was appellant volledig arbeidsongeschikt.
3.2 De Brouwer, die aansluitend aan de hoorzitting op 21 september 2006 een kort psychiatrische onderzoek bij appellant deed, gaf in zijn rapport van 25 september 2006 aan dat hij wel een sombere, maar geen depressieve stemming waarnam en dat er geen vermoeidheid, geen verminderde concentratie en geen psychotische of angstverschijnselen waren. Hij onderschreef het onderzoek van Rashidi en de FML. Voorts vermeldde hij dat de visie van Jessurun inzake arbeidsongeschiktheid van appellant in tegenspraak was met het arbeidsverleden van appellant en zijn arbeid vanaf november 2005 tot de zomer van 2006.
3.3. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 3 oktober 2006 het bezwaar tegen het besluit van 19 (lees: 20) juni 2006 ongegrond.
4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 3 oktober 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.
4.2. De rechtbank onderschreef – kort gezegd – de medische grondslag van het bestreden besluit. De medische geschiktheid van appellant voor de geduide functies achtte de rechtbank voldoende gemotiveerd in de arbeidskundige rapporten van 19 juni en 8 december 2006.
5. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Het komt er in feite op neer dat het Uwv naar zijn mening bij zijn besluitvorming de visie van Jessurun heeft miskend en dat appellant ongeschikt was voor het vervullen van de geduide functies.
6.1 De Raad heeft geen aanknopingspunten om wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Hij tekent daarbij aan dat De Brouwer appellant ook zelf heeft onderzocht en onderschrijft voorts de in 3.2 weergegeven visie van De Brouwer en het oordeel van de rechtbank over de opvatting van psychiater Jessurun dat appellant volledig arbeidsongeschikt was. Wat betreft de ziekmelding van appellant met ingang van 24 juni 2006, welke derhalve plaatsvond in een periode dat appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, tekent de Raad nog aan dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft verklaard dat de aan appellant in dat verband toegekende uitkering ingevolge de Ziektewet liep tot 27 oktober 2006. Deze toekenning had, aldus deze gemachtigde, uitsluitend plaatsgevonden uit zorgvuldigheidsoverwegingen omdat appellant naar aanleiding van die ziekmelding eerst op 27 oktober 2006 is onderzocht.
6.2. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de Raad, gelet ook op de in 4.2 vermelde arbeidskundige rapporten, geen aanknopingspunten de toelichtingen in die rapporten op de signaleringen in de geduide functies voor onjuist te houden.
6.3. Hetgeen de Raad heeft overwogen in 6.1 en 6.2 leidt hem tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2009.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) A.E. van Rooij.
EV