ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5474
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAZ-uitkering na herziening arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig directeur van twee assurantiekantoren, viel in 2002 uit wegens diverse klachten waaronder concentratieproblemen en angsten. Het UWV kende hem in 2003 een WAZ-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 55-65%. In 2006 werd deze uitkering herzien naar 45-55%, maar na bezwaar bleef de oorspronkelijke mate van arbeidsongeschiktheid gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De Raad overwoog dat appellant geen nieuwe informatie had aangedragen die het eerdere oordeel zou kunnen ondermijnen. De door appellant overgelegde brief van een klinisch psycholoog en andere medische gegevens boden geen aanleiding om het UWV te verwijten de beperkingen te hebben onderschat.
Ook de stelling dat bepaalde functies medisch ongeschikt zouden zijn, werd verworpen omdat deze binnen de functionele mogelijkheden van appellant liggen. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor nader onderzoek of toepassing van bijzondere bestuursrechtelijke bepalingen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ongewijzigde vaststelling van de WAZ-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.