ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5867

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5286 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, voormalig chauffeur personenvervoer, meldde zich ziek met psychische klachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering in per 12 juli 2006 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond en benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige.

De deskundige stelde vast dat appellante leed aan een borderline persoonlijkheidsstoornis maar geen aanleiding zag voor verdergaande beperkingen dan vermeld in de Functionele Mogelijkheden Lijst. Ook na ontvangst van aanvullende informatie van de Symfora groep bleef het oordeel van de deskundige ongewijzigd. De Raad onderschrijft dit oordeel en acht de gewijzigde diagnose en GAF-score van de Symfora groep niet van toepassing op de datum in geding.

Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling concludeert de Raad dat appellante in staat is de aan haar geduide functies te vervullen zonder overschrijding van haar belastbaarheid, met name op het gebied van het hanteren van emotionele problemen van anderen. Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante onvoldoende arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

08/5286 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 juli 2008, 06/3879 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 augustus 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.H. Burger, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R. Vleugel opvolgend gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokebrand.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als chauffeur personenvervoer. Op 4 oktober 2001 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten. Met ingang van 3 oktober 2002 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Bij besluit van 12 mei 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 12 juli 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
1.3. Bij besluit van 29 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 12 mei 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank aanleiding gezien drs. G.T. Gerssen, psychiater, als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek en hem enkele vragen met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellante per de datum in geding gesteld. De deskundige heeft op 3 september 2007 van zijn bevindingen verslag gedaan. Daarbij heeft de deskundige gesteld dat bij appellante per de datum in geding sprake was van een borderline persoonlijkheidsstoornis. De deskundige kan instemmen met de in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 december 2005 weergegeven beperkingen en ziet voor het aannemen van verdergaande beperkingen geen aanleiding. Bij brief van 3 maart 2008 heeft de deskundige geconcludeerd dat de door appellante ingebrachte informatie van de Symfora groep van 4 oktober 2007 zijn bevindingen en conclusies, zoals weergegeven in de rapportage van 3 september 2007, niet wijzigt. De rechtbank heeft doorslaggevende betekenis toegekend aan het deskundigenoordeel. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat in vaste jurisprudentie besloten ligt dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. De rechtbank is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt om in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken en heeft overwogen dat een onafhankelijke en onpartijdige psychiater bij uitstek de specifieke deskundigheid bezit om beperkingen op het psychische vlak te onderkennen en dat de deskundige zijn oordeelsvorming heeft gebaseerd op eigen onderzoek van appellante alsmede op de reeds in het dossier aanwezige medische gegevens en door hem zelf opgevraagde medische gegevens.
2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv toereikend heeft gemotiveerd waarom appellante in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag liggende functies te vervullen.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het deskundigenoordeel. Uit de reactie van de deskundige op de brief van de Symfora groep van 4 oktober 2007, waarin een afwijkende diagnose en GAF-score worden gesteld, kan niet worden geconcludeerd dat de deskundige zijn eerdere oordeel serieus heeft heroverwogen. Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij niet in staat is om de aan haar geduide functies te vervullen.
4.1. De Raad overweegt het volgende.
4.2. De Raad kent, evenals de rechtbank, beslissende betekenis toe aan het oordeel van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. De Raad is van oordeel dat de deskundige, geconfronteerd met de informatie van de Symfora groep, zijn eigen oordeel serieus heeft heroverwogen. In dat verband acht de Raad de in de nadere brief van de deskundige van 3 maart 2008 gegeven reactie toereikend. Daaraan voegt de Raad toe dat uit de in de loop van de procedure ingekomen informatie van de Symfora groep kan worden afgeleid dat de psychische situatie van appellante na de datum in geding is gewijzigd. Op 6 april 2006 heeft de Symfora groep namelijk nog telefonisch aan de verzekeringsarts meegedeeld in te stemmen met het rapport van 7 oktober 2005 van de door die arts ingeschakelde psychiater J. IJsselstein, die tot min of meer dezelfde conclusie kwam als de door de rechtbank geraadpleegde deskundige Gerssen. De door de Symfora groep op 4 oktober 2007 gegeven informatie bevat een gewijzigde diagnose en GAF-score. De Raad kan uit de informatie van de Symfora groep niet afleiden dat de gewijzigde diagnose en GAF-score ook van toepassing waren per de datum in geding, zodat daar in de onderhavige procedure geen rekening mee kan worden gehouden.
4.3. Voorts ziet de Raad in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit geen grond om het oordeel van de rechtbank terzake voor onjuist te houden. Ten aanzien van de grief van appellante dat in de functies er een ontoelaatbare overschrijding van de belastbaarheid zal optreden op het aspect ‘het hanteren van emotionele problemen van anderen’ overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 22 november 2006 ten aanzien van alle functies heeft aangegeven dat de werknemer zich vrijwel uitsluitend op de eigen productiewerkzaamheden richt en er vrijwel geen interactie met anderen is en zeker geen taak heeft waarbij het hanteren van emotionele problemen van anderen wordt gevraagd. De Raad is gelet hierop van oordeel dat geen sprake zal zijn van een overschrijding van de belastbaarheid van appellante op dit aspect.
4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2009.
(get.) C.P.M. van de Kerkhof.
(get.) M.A. van Amerongen.
EV