Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6014

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-355 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 25-35%

Appellant, voormalig onderhoudsmedewerker, viel in 1997 uit wegens rugklachten en ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Na een herbeoordeling in 2006 werd de uitkering herzien naar 15 tot 25%, gebaseerd op een functionele mogelijkhedenlijst en de geschiktheid voor andere functies dan zijn eigen werk.

Appellant maakte bezwaar tegen het medisch onderzoek en de geschiktheid van de geselecteerde functies, waarna een bezwaarverzekeringsarts een lichamelijk onderzoek verrichtte en de beperkingen bevestigde. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellant in beroep ging.

Tijdens het beroep erkende het UWV een fout in het gehanteerde maatmanloon en nam een nieuw besluit waarbij de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 25 tot 35%, met een vergoeding voor gemaakte kosten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel, oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat het UWV de beperkingen van appellant niet heeft onderschat. De Raad acht de geschiktheid van appellant voor de alternatieve functies voldoende aangetoond en bevestigt het bestreden besluit.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% wordt bevestigd.

Uitspraak

08/355 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 11 december 2007, 07/412 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 augustus 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.J. van ’t Hoff, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2009, waar partijen, met voorafgaande kennisgeving, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is onderhoudsmedewerker geweest bij een woningbouwvereniging. Appellant is in september 1997 uitgevallen met rugklachten en ontving laatstelijk een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 29 november 2006 onderzocht door de verzekeringsarts M. Strik, die in zijn rapport van dezelfde datum heeft vastgesteld dat appellant als gevolg van rug- en heupklachten beperkingen heeft. Met inachtneming van uit deze klachten voortvloeiende beperkingen heeft hij een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML)vastgesteld. Daarna is de arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport is appellant bij besluit van 27 december 2006 meegedeeld dat zijn uitkering met ingang van 28 februari 2007 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
2.1. In bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest, omdat hij niet lichamelijk door de verzekeringsarts is onderzocht. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat de geselecteerde functies niet geschikt voor hem zijn omdat hij niet langer dan een half uur kan zitten en staan. Daarnaast kan hij nauwelijks buigen of bukken.
2.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft, nadat hij appellant lichamelijk had onderzocht, zich kunnen verenigen met de voor appellant vastgestelde FML. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 5 april 2007 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
3.1. In beroep heeft appellant dezelfde gronden naar voren gebracht als in bezwaar.
3.2. In het in beroep ingediende verweerschrift heeft het Uwv laten weten dat het bij het bestreden besluit gehanteerde maatmanloon niet juist is geweest. Om deze reden heeft het Uwv bij besluit van 24 mei 2007, in overeenstemming met een rapport d.d. 21 mei 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige, een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij appellant met ingang van 28 februari 2007 in aanmerking is gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Daarbij is appellant tevens een vergoeding van € 644,-- toegekend in de kosten die hij heeft gemaakt in verband met de behandeling van zijn bezwaar.
3.3. Met het besluit van 24 mei 2007 heeft appellant zich evenmin kunnen verenigen.
3.4. De rechtbank heeft met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het nadere besluit van 24 mei 2007 in het onderhavige geding betrokken. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 5 april 2007 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 24 mei 2007 ongegrond. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen genomen over proceskosten en griffierecht.
4.1. Tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen het besluit van 24 mei 2007 is appellant in hoger beroep gekomen. Daarbij heeft hij dezelfde gronden naar voren gebracht als eerder in de procedure, waarbij hij er nogmaals op heeft gewezen dat hij niet meer geschikt is voor zijn eigen werk van onderhoudsmedewerker. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen heeft hij nog een verklaring van dr. B. Poffyn, adjunct-kliniekhoofd Orthopedie en traumatologie van het UZ Gent, ingebracht, waarop de bezwaarverzekeringsarts heeft gereageerd.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Naar het oordeel van de Raad hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden zij de beschikking over informatie uit de behandelende sector en ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat het onderzoek dat deze artsen hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellant onzorgvuldig is geweest. Voorts is de Raad van oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant niet heeft onderschat. Met betrekking tot de in hoger beroep ingebrachte verklaring van Poffyn kan de Raad zich verenigen met de daarop gegeven reactie van de bezwaarverzekeringsarts.
5.3. Voor zover appellant heeft betoogd dat hij niet geschikt is voor zijn eigen werk wijst de Raad er op dat het Uwv dit standpunt deelt. De geschiktheid voor eigen werk is derhalve geen onderwerp van geding.
De onderhavige herziening is gebaseerd op een theoretische schatting waarbij appellant geschikt is geacht voor de functies van telefonist/receptionist, loketbediende en wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur. Nu naar het oordeel van de Raad het Uwv de geschiktheid van appellant voor deze functies in voldoende mate heeft aangetoond, is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2009.
(get.) A.T. de Kwaasteniet.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
TM