ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6122
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- J. Riphagen
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn en proceskosten in hoger beroep WAO-uitkering
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die haar beroep tegen het bestreden besluit van het UWV ongegrond verklaarde. Het geschil betreft de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO, waarbij het UWV haar uitkering heeft gekort en later ingetrokken vanwege inkomsten uit arbeid.
De Raad stelt vast dat het hoger beroep niet ziet op de toekenning van de WAO-uitkering zelf, maar op de toepassing van de korting en intrekking op grond van artikel 44. Appellante betoogt dat de procedure onredelijk lang heeft geduurd en vordert schadevergoeding op grond van artikel 6 EVRM Pro.
De Raad overweegt dat de redelijke termijn niet is overschreden omdat de procedure tegen de besluiten van 21 september 2007 op 26 oktober 2007 is gestart en nog geen vier jaar heeft geduurd. Tevens wijst de Raad het standpunt van appellante af dat de procedures samen moeten worden beschouwd. Ook wijst de Raad het verzoek tot proceskostenveroordeling af wegens onvoldoende onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af wegens geen overschrijding van de redelijke termijn.