Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6565

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 augustus 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5319 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag periodieke uitkering op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 wegens geboorte na 15 augustus 1945

Appellante, geboren in 1948, vroeg in mei 2007 een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat haar vader als KNIL-militair krijgsgevangenschap had ondergaan. Verweerster wees de aanvraag af omdat appellante na 15 augustus 1945 is geboren en dus geen vervolging in de zin van de Wet kan hebben ondergaan. Tevens werd niet onderzocht of zij met de vervolgde gelijkgesteld kon worden, omdat sinds de wetswijziging van 7 juli 1994 personen van de naoorlogse generatie niet meer tot de Wet kunnen worden toegelaten.

De Raad bevestigde dat appellante geen vervolging heeft ondergaan en dat de weigering om haar met de vervolgde gelijk te stellen terecht was. De loyale houding van haar vader aan de Nederlandse regering deed hieraan niets af. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 27 augustus 2009, waarbij de Raad het bestreden besluit in stand hield en het beroep afwees.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een periodieke uitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

08/5319 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante], wonende te [Woonplaats], Indonesië (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 27 augustus 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 12 juni 2008, kenmerk BZ 47537, JZ/E60/2008, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2009. Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1 Appellante, geboren in 1948, heeft in mei 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om op grond van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellante naar voren gebracht dat haar vader als KNIL-militair krijgsgevangenschap heeft ondergaan.
1.2. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 12 september 2007 zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat appellante is geboren na 15 augustus 1945 zodat zij geen vervolging in de zin van de Wet kan hebben ondergaan en gezien haar geboortedatum het ook niet mogelijk is te onderzoeken of zij met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt als volgt.
2.1. Gegeven de omstandigheid dat appellante is geboren na de periode van de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië, is de Raad met verweerster van oordeel dat zij geen vervolging in de zin van de Wet kan hebben ondergaan.
2.2. Ten aanzien van verweersters weigering om appellante met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen overweegt de Raad dat sinds de wijziging van dat artikel bij wet van 7 juli 1994, Stb 519, het niet meer mogelijk is om personen die behoren tot de na-oorlogse generatie, zoals appellante, na 15 juli 1994 nog tot de Wet toe te laten. Verweerster heeft dan ook naar het oordeel van de Raad terecht geen aanleiding gezien te onderzoeken of appellante met de vervolgde kan worden gelijkgesteld. De omstandigheid dat, zoals door appellante naar voren is gebracht, haar vader als KNIL-militair loyaal was aan de Nederlandse regering kan, hoe lovenswaardig dat ook is geweest, aan het voorgaande niets afdoen.
3. Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2009.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) I. Mos.
HD