ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6572
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning vervolging en uitkering op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in juli 2007 om erkenning als vervolgd in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en om toekenning van een periodieke uitkering. Deze aanvraag werd op 18 februari 2008 afgewezen omdat zij tijdens de Japanse bezetting niet geïnterneerd was en haar vader niet tijdens de bezetting, maar op 8 november 1945 door Indonesische opstandelingen werd vermoord.
Appellante voerde in beroep aan dat haar vader al tijdens de bezetting door de Japanners werd vervolgd en dat zij de gevolgen daarvan als vervolging ervoer. De Raad overwoog dat onder vervolging in de wet uitsluitend wordt verstaan vrijheidsberoving door opsluiting in kampen of gevangenissen door de vijandelijke bezetter, wat niet op appellante van toepassing was.
De Raad erkende dat er een discretionaire bevoegdheid bestaat om personen die in vergelijkbare omstandigheden verkeerden als vervolgd te erkennen, maar stelde vast dat er geen bewijs was dat de vader van appellante tijdens de bezetting met excessief geweld werd weggevoerd. Het overlijden van haar vader na de bezetting bood geen grondslag om appellante gelijk te stellen met een vervolgd persoon.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in rechte standhoudt en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees de Raad een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag om erkenning als vervolgd en uitkering wordt afgewezen.