ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6755
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing verdergaande beperkingen
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de herziening van haar WAO-uitkering, waarbij haar arbeidsongeschiktheid werd teruggebracht van 80-100% naar 45-55%. De rechtbank had het bezwaar ongegrond verklaard en het Uwv had het besluit gebaseerd op een medische en arbeidskundige beoordeling. Appellante stelde in hoger beroep dat haar functionele mogelijkheden door het Uwv werden overschat en dat haar psychische toestand onvoldoende was meegewogen, onder verwijzing naar een verklaring van haar huisarts over langdurig medicijngebruik.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe, objectieve medische gegevens bevat die aanleiding geven tot het aannemen van verdergaande beperkingen dan door het Uwv vastgesteld. De Raad onderschrijft de eerdere beoordeling dat de medische grondslag deugdelijk is en dat de voorgehouden functies medisch geschikt zijn voor appellante. De Raad weegt mee dat verzekeringsartsen op de hoogte waren van het medicijngebruik en dat appellantes eigen niet-medisch onderbouwde mening onvoldoende gewicht heeft.
Gelet op deze overwegingen wordt het hoger beroep afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door rechter J. Riphagen en griffier A.C.A. Wit op 2 september 2009.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd wegens voldoende medische onderbouwing van de herziening van de WAO-uitkering.