ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6821
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht meer op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek door UWV
Appellante, voorheen tandartsassistente, meldde zich op 20 april 2006 ziek wegens hoofdpijn, duizeligheid, spannings- en hyperventilatieklachten. Na meerdere bezoeken aan de verzekeringsarts werd zij per 2 oktober 2006 hersteld verklaard en verloor zij het recht op ziekengeld. Het UWV verklaarde haar bezwaar tegen dit besluit aanvankelijk niet ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn, maar na vernietiging door de rechtbank werd het bezwaar inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts de ingebrachte medische informatie van de behandelend sector had besproken en dat deze geen aanleiding gaf het standpunt te herzien. In hoger beroep stelde appellante dat de ernst van haar klachten was miskend en dat een nieuwe diagnose van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis gevolgen zou moeten hebben voor haar medische situatie per datum in geding.
De Raad overwoog dat het recht op ziekengeld afhankelijk is van ongeschiktheid tot arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de aanvullende medische informatie, waaronder brieven van huisarts, psychiater en fysiotherapeut, geen aanleiding gaf het oordeel te herzien. De nieuwe diagnose en latere behandelingen waren niet relevant voor de situatie per 2 oktober 2006.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante vanaf 2 oktober 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld.