ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6864
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht meer op ziekengeld wegens voldoende zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, werkzaam als medewerkster tuinbouw, meldde zich per 1 december 2005 ziek vanwege hoofdpijn, duizeligheid en nek- en schouderklachten. Na meerdere bezoeken aan de primaire arts werd zij per 2 november 2006 hersteld verklaard. Het UWV besloot daarop dat zij vanaf die datum geen recht meer had op ziekengeld. Dit besluit werd na bezwaar door een bezwaarverzekeringsarts bevestigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek als voldoende zorgvuldig beoordeelde. Appellante stelde in hoger beroep dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten en dat psychische problematiek ten onrechte was uitgesloten. Tevens vroeg zij om een onafhankelijke deskundige.
De Raad overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante niet waren onderschat. Nek- en schouderklachten, evenals hoofdpijn en duizeligheid, waren meegewogen. Psychische pathologie was niet vastgesteld door artsen en er was geen behandeling bij psycholoog of psychiater. Zonder aanvullende medische informatie zag de Raad geen reden het oordeel te betwijfelen of een onafhankelijke deskundige in te schakelen.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het recht op ziekengeld werd beëindigd per 2 november 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld per 2 november 2006.