ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7034

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2180 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.J.H. Doornewaard
  • T.J. van der Torn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van een WAO-uitkering per 30 oktober 2004, waarbij het UWV oordeelde dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond na inschakeling van een onafhankelijke deskundige, een orthopedisch chirurg, die de medische beperkingen bevestigde en de geschiktheid voor de geduide functies onderschreef.

In hoger beroep heeft appellante haar eerdere argumenten herhaald, waaronder dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat psychische beperkingen ten onrechte niet waren erkend. De Raad volgt de vaste rechtspraak dat het oordeel van een onafhankelijke deskundige wordt gevolgd, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Die omstandigheden zijn in dit geval niet aangetoond.

De Raad wijst het verzoek af om een psychiater als deskundige in te schakelen, mede omdat appellante eerder een behandeling door een fysiotherapeut prefereerde boven een psychiater, wat de ernst van het depressief syndroom in twijfel trekt. De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en acht geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

08/2180 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2008, 06/2201
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 september 2009.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2009. Voor appellante is verschenen mr. Blom. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 3 februari 2006 is aan appellante per 30 oktober 2004 een
WAO-uitkering geweigerd onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.
1.2. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van
28 juni 2006 ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 28 juni 2006 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat en voor zover voor het hoger beroep van belang – het volgende overwogen.
2.2. Het verschil van inzicht tussen partijen ten aanzien van de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen is voor de rechtbank aanleiding geweest om appellante te laten onderzoeken door de orthopedisch chirurg
R.F. Feenstra. Deze deskundige heeft op 13 juni 2007 gerapporteerd bij zijn onderzoek geen afwijkingen te hebben gevonden behoudens een niet nader omschreven pijnsyndroom, c.q. pijnlijk gebied aan de linkerhiel en linkerenkel, zonder dat hier een anatomisch substraat voor kan worden gevonden, en heeft voorts aangegeven te kunnen instemmen met de vaststelling van de belastbaarheid zoals door de (bezwaar) verzekeringsarts aangegeven. Volgens deze deskundige zijn – kort samengevat – de medische beperkingen van appellante correct weergegeven in de FML en zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor haar geschikt; daarbij heeft hij tevens aandacht besteed aan de signaleringen ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid.
2.3. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien van het oordeel van de deskundige af te wijken dan wel – op verzoek van appellante – een aanvullend onderzoek door een neuroloog te laten plaatsvinden en geconcludeerd dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust.
3. Appellante heeft in hoger beroep haar in bezwaar en beroep aangevoerde argumenten herhaald. Zij meent dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest, dat er ten onrechte geen beperkingen op het psychische vlak zijn aangenomen en dat zij de functies die zijn geduid om medische redenen niet kan vervullen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. De Raad is van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat van deze hoofdregel af te wijken.
4.2. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot de aangevallen uitspraak hebben geleid. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. Appellante heeft in hoger beroep geen nadere medische informatie naar voren gebracht in een poging een ander licht te werpen op haar medische situatie op de datum in geding, 30 oktober 2004.
4.3. Ter zitting van de Raad heeft appellante zich op het standpunt geteld dat er aanleiding bestaat voor inschakeling van een psychiater als deskundige van die Raad, maar de Raad deelt dat standpunt niet. Appellante heeft in maart 2003 de voorkeur gegeven aan behandeling door een fysiotherapeut boven een behandeling door de psychiater naar wie zij door haar huisarts was verwezen, zodat het door de psychiater toen vastgestelde depressief syndroom ten tijde thans in geding niet zó ernstig kan zijn geweest als appellante in hoger beroep heeft gesteld.
5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, in tegenwoordigheid van
T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
4 september 2009.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) T.J. van der Torn.
TM