ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en redelijke termijn bij toekenning nabestaandenuitkering
Appellante diende na het overlijden van haar echtgenoot een aanvraag in voor een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat zij op de datum van overlijden minder dan 45% arbeidsongeschikt was. Na bezwaar en een eerdere vernietiging door de rechtbank werd nader onderzoek verricht, waarbij verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat de arbeidsongeschiktheid inderdaad onder de 45% lag.
De rechtbank bevestigde deze conclusie en oordeelde dat de Svb terecht geen uitkering toekende. Wel stelde de rechtbank vast dat de redelijke termijn was overschreden en kende een schadevergoeding toe, waarbij een reductiefactor werd toegepast vanwege de levensstandaard in Turkije. In hoger beroep betwistte appellante de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid en de reductiefactor.
De Raad oordeelde dat de vaststelling van minder dan 45% arbeidsongeschiktheid juist was, mede omdat de verzekeringsarts rekening had gehouden met Turkse medische gegevens en correcties. De Raad verwierp het beroep op een hogere arbeidsongeschiktheid gebaseerd op latere medische rapporten. Tevens stelde de Raad vast dat de redelijke termijn in zowel de bestuurlijke als rechterlijke fase was overschreden, maar dat de levensstandaard in het woonland geen rol mag spelen bij de hoogte van de schadevergoeding. Daarom vernietigde de Raad de reductiefactor en bepaalde dat het onderzoek wordt heropend voor een nadere uitspraak over de schadevergoeding.
Uitkomst: De arbeidsongeschiktheid van appellante is terecht vastgesteld onder 45% en de reductiefactor bij schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt vernietigd.