ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7423
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. de Mooij
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing AOW-uitkering wegens onvoldoende bewijs verzekeringsperiode 1971-1972
Appellant diende een aanvraag in voor een AOW-uitkering op grond van een vermeende arbeidsperiode in Nederland van 1971 tot 1972. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af wegens het ontbreken van bewijs dat appellant verzekerd was voor de AOW in die periode.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij arbeid in loondienst had verricht en dat hij de naam en het adres van de werkgever had doorgegeven. Desondanks kon appellant geen concrete, verifieerbare gegevens overleggen over zijn verblijf, het woonadres, de duur van het dienstverband of de aard van de werkzaamheden.
De Raad constateerde dat ondanks herhaalde verzoeken aan appellant en pogingen om aanvullende informatie bij de voormalige werkgever en overheidsinstanties te verkrijgen, geen bewijs kon worden gevonden. De werkgever was in 1980 gestopt, en gemeentelijke en belastinggegevens waren niet beschikbaar of leverden niets op.
De Raad concludeerde dat onder deze omstandigheden niet kan worden aangenomen dat appellant verzekerd was voor de AOW in de periode 1971-1972. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de AOW-uitkering bevestigd wegens onvoldoende bewijs van verzekeringsperiode.