ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7718

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3782 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
  • T. Hoogenboom
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid minder dan 35%

Appellante verzocht om een WIA-uitkering, maar het UWV stelde vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt, waardoor geen recht op uitkering bestaat. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de functionele mogelijkheden van appellante correct waren vastgesteld en dat de belasting van de voorgehouden functies haar belastbaarheid niet overschrijdt.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de beperkingen onderschat waren en dat het oordeel van het Spine & Joint Centre onvoldoende werd meegewogen. Zij verzocht ook om benoeming van een medisch deskundige. De Raad volgde echter de rechtbank en het UWV, oordeelde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat de geduide functies passend zijn, ook gezien alternatieve functies binnen dezelfde Sbc-code.

De Raad achtte het niet noodzakelijk een medisch deskundige te benoemen en vond geen aanleiding om het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten. De medische gegevens van diverse behandelaars werden betrokken en boden geen steun voor appellantes standpunt. De uitspraak van de rechtbank werd dan ook bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid onder 35%.

Uitspraak

08/3782 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 mei 2008, 07/2717 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van een medische en een arbeidskundige rapportage.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2009. Namens appellante is verschenen mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 29 september 2006 heeft het Uwv appellante bericht dat er met ingang van 23 oktober 2006 voor haar geen recht is ontstaan op uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%.
1.2. Bij besluit van 9 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 29 september 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellante correct heeft vastgesteld en dat haar niet is gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de belastbaarheid van appellante overschrijdt.
3. Appellante heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen belang heeft gehecht aan het oordeel van het Spine & Joint Centre te Rotterdam en dat haar beperkingen zijn onderschat, in verband waarmede zij de benoeming van een medisch deskundige verzoekt. Voorts acht appellante de haar geduide functies in medisch opzicht niet passend.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, evenals de rechtbank, geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies daarvan. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens, afkomstig van de revalidatiearts K.S. de Boer, de fysiotherapeute
R. van der Meij-van Steden, de sportarts A. Mulder en het Spine & Joint Centre, bieden voor die opvatting van appellante geen steun. De bevindingen van deze artsen zijn overigens door de verzekeringsartsen in hun beoordeling betrokken. Het is de Raad niet gebleken dat met die bevindingen onvoldoende rekening is gehouden. Met de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten voor de opvatting dat de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer naar aanleiding van de door appellante overgelegde brieven van een behandelend arts en de directeur van het Spine & Joint Centre voor onjuist moeten worden gehouden. Gezien het toepasselijke arbeidsongeschiktheidscriterium kan de Raad met de rechtbank het oordeel van die bezwaarverzekeringsarts volgen dat de door het Spine & Joint Centre benadrukte behandelprincipes niet relevant zijn voor de onderhavige vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Voorts heeft Lustenhouwer vastgesteld dat het door de behandelend arts gegeven advies met betrekking tot appellantes rugklachten betrekking heeft op de periode na de hier in geding zijnde datum. De Raad heeft ook ten aanzien daarvan geen aanleiding de rechtbank hierin niet te volgen.
4.2. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd, met de rechtbank, geen reden om de geschiktheid van appellante voor de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies in twijfel te trekken. In het bijzonder ziet de Raad geen beletsel gelegen in de functie van telefonist, receptionist (Sbc-code 315120). Weliswaar is er blijkens het zich onder de gedingstukken bevindende zogeheten Resultaat functiebeoordeling bij de functie telefoniste/receptioniste metaalwarenindustrie sprake van het gedurende de eerste uren van de werkdag aaneengesloten zitten, hetgeen volgens appellante een overschrijding inhoudt van haar in de FML vastgelegde beperkingen ten aanzien van het item zitten (tijdens het werk), maar zoals de bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen in zijn rapportage van 9 maart 2007 – naar het oordeel van de Raad met juistheid heeft vermeld – zijn er blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst van 8 maart 2007 binnen de eerdergenoemde Sbc-code nog andere arbeidsplaatsen te selecteren, bijvoorbeeld de functie van telefoniste/receptioniste bij een zorgverzekeraar, welke, met uitzondering van het aantal uren en arbeidsplaatsen, gelijk is aan de in de primaire fase van de besluitvorming geduide functie telefoniste/receptioniste.
4.3. De Raad kan ook de rechtbank volgen waar zij kennelijk onvoldoende grond aanwezig achtte om een deskundige in te schakelen ten einde haar op medisch gebied van verslag en advies te dienen.
5. Uit het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) A.E. van Rooij.
KR