Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8004

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3525 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475c RvArt. 475d RvArt. 475e RvArt. 57 WAOArt. 57a WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering WAO-uitkering en vaststelling aflossingscapaciteit

Appellant werd geconfronteerd met een terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkeringen over de periode van 1999 tot 2006. Het UWV stelde de aflossingscapaciteit vast op basis van door appellant verstrekte financiële gegevens en bepaalde een maandelijkse aflossingsverplichting. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met hypotheekverplichtingen en het verschil tussen fiscaal inkomen en feitelijke verdiensten.

De Raad oordeelde dat het UWV de aflossingscapaciteit op juiste wijze had vastgesteld, mede gelet op de wettelijke bepalingen omtrent de beslagvrije voet en de woonkosten. Het feit dat appellant hoge hypotheeklasten had, leidde niet tot een andere beoordeling. Ook werd vastgesteld dat appellant de door hem opgegeven inkomsten niet had betwist.

Verder werd erkend dat het UWV ten onrechte geen rekening had gehouden met het inkomen van de echtgenoot bij de beslagvrije voet, maar dit werd gecompenseerd doordat het UWV de maandelijkse aflossingscapaciteit ook had gehalveerd. De stelling van bijzondere financiële hardheid werd verworpen omdat het leven op het bestaansminimum geen kennelijke hardheid oplevert.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV tot vaststelling van de aflossingscapaciteit wordt bevestigd.

Uitspraak

08/3525 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 mei 2008, 07/8065
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.J.A. van Dijk, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, kantoor Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van het verzoek van de Raad heeft het Uwv bij brief van 20 juli 2009 het formulier Berekenen aflossingscapaciteit aan de Raad doen toekomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2009. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij het - rechtens onaantastbaar geworden - besluit van 27 januari 2007 heeft het Uwv, voorzover hier van belang, van appellant de in dit besluit vermelde onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) teruggevorderd over het tijdvak 1 januari 1999 tot 1 oktober 2006.
1.2. Middels het formulier Beoordeling aflossingscapaciteit, gedagtekend op 18 maart 2007, heeft appellant het Uwv voorgesteld om het teruggevorderde bedrag in termijnen van € 200,- per maand af te lossen. Bij besluit van 3 juli 2007 heeft het Uwv dit voorstel afgewezen en is besloten dat appellant met ingang van de maand augustus 2007 dient terug te storten maandelijkse termijnen van € 1.090,33 en een slottermijn van € 292,49. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat op basis van de financiële gegevens die appellant heeft verstrekt zijn aflossingscapaciteit is vastgesteld op € 2.180,65 en dat hij minimaal 50% van de aflossingscapaciteit dient te gebruiken, hetgeen in zijn situatie € 1.090,33 bedraagt.
1.3. Bij besluit van 19 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 3 juli 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij is toepassing gegeven aan artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Het Uwv heeft de maximale aflossingscapaciteit vastgesteld op € 2.137,03 per maand. Hierbij is het gezamenlijke netto-inkomen van appellant en zijn echtgenote, te weten € 4.352,- per maand, in aanmerking genomen en is de beslagvrije voet gesteld op € 1.447,76 welk bedrag is afgeleid van 90% van de bijstandnorm voor gehuwden verhoogd met de premie ziektekostenverzekering en de (maximale) woonkostentoeslag. Met toepassing van artikel 57 WAO Pro is het daadwerkelijk maandelijks af te lossen bedrag gesteld op 50% van € 3.245,30 (de gebruteerde aflossingscapaciteit van € 2.137,03), zijnde € 1.622,65. Het Uwv heeft, nu de aflossingscapaciteit naar haar mening niet te hoog was vastgesteld, het maandelijks af te lossen bedrag gehandhaafd op € 1.090,33.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit geen, althans onvoldoende, rekening heeft gehouden met de op appellant rustende hypotheekverplichtingen en met het gegeven dat er een discrepantie bestaat tussen zijn fiscale inkomen en zijn feitelijke verdiensten. Volgens appellant had het feit dat hij door het af te lossen bedrag in financiële problemen zal raken voor het Uwv reden moeten zijn om de aflossingscapaciteit lager vast te stellen.
4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv de aflossingscapaciteit van appellant op juiste wijze heeft vastgesteld en hij overweegt daartoe het volgende.
4.2. Uit artikel 57a, tweede lid, gelezen in combinatie met artikel 29g, achtste lid, van de WAO volgt dat de verzekerde, bij de vaststelling van de aflossingstermijnen, dient te blijven beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.3. Ingevolge artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Rv wordt de beslagvrije voet verhoogd met de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met dien verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar, uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel 21 van Pro de Wet op de huurtoeslag ten hoogste aanspraak heeft. De wijze waarop het Uwv het in artikel 475d, tweede lid, aanhef en onder b, van het Rv bedoelde bedrag aan woonkosten heeft berekend, is naar het oordeel van de Raad in overeenstemming met de tekst van die bepaling. Dat appellant in de praktijk hoge woonlasten - in dit geval hypotheeklasten - had, maakt het voorgaande niet anders.
4.4. Met betrekking tot de door het Uwv bij de berekening van de aflossingscapaciteit in aanmerking genomen inkomsten van appellant overweegt de Raad dat appellant middels het formulier Beoordeling aflossingscapaciteit op 18 maart 2007 de hoogte van zijn inkomen aan het Uwv kenbaar heeft gemaakt. Appellant heeft de hoogte van die inkomsten in bezwaar noch in beroep bestreden. Nu de Raad uit de stukken evenmin heeft kunnen blijken dat het Uwv bij de berekening van de aflossingscapaciteit een onjuist bedrag aan inkomsten heeft gehanteerd kan de grief van appellant niet slagen. Ter voorlichting van appellant merkt de Raad op dat hij zich bij een wijziging van zijn financiële situatie met een verzoek om herziening van het maandelijks af te lossen bedrag tot het Uwv kan wenden.
4.5. Ten overvloede merkt de Raad nog op dat uit de stukken is gebleken en ter zitting ook door de gemachtigde van het Uwv is bevestigd, dat artikel 475d, derde lid, van het Rv - welk artikel kort gezegd, bepaalt dat, voorzover het echtgenoten of geregistreerde partners betreft, de beslagvrije voet voor ten hoogste de helft wordt verminderd met het eigen, niet onder beslag liggende periodieke inkomen van de echtgenoot of partner - ten onrechte niet is toegepast. Dit brengt de Raad echter niet tot het oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden nu het Uwv evenzeer ten onrechte met toepassing van artikel 57 WAO Pro de maandelijkse aflossingscapaciteit van appellant heeft gehalveerd en appellant per saldo niet is benadeeld.
4.6. Voorzover appellant heeft willen stellen dat er sprake is van een bijzondere (financiële) hardheid is de Raad van oordeel dat het Uwv in de door hem aangevoerde redenen terecht geen aanleiding heeft gezien om de maandelijkse aflossingstermijn op een lager bedrag vast te stellen. Dat appellant tengevolge van het vaststellen van de betalingstermijn op het bestaansminimum moet leven, is een bewuste consequentie van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen en levert geen kennelijke hardheid op als bedoeld in artikel 14 van Pro de Regeling.
5. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep van appellant niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2009.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) T.J. van der Torn.
KR