ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8004
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering en vaststelling aflossingscapaciteit
Appellant werd geconfronteerd met een terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkeringen over de periode van 1999 tot 2006. Het UWV stelde de aflossingscapaciteit vast op basis van door appellant verstrekte financiële gegevens en bepaalde een maandelijkse aflossingsverplichting. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met hypotheekverplichtingen en het verschil tussen fiscaal inkomen en feitelijke verdiensten.
De Raad oordeelde dat het UWV de aflossingscapaciteit op juiste wijze had vastgesteld, mede gelet op de wettelijke bepalingen omtrent de beslagvrije voet en de woonkosten. Het feit dat appellant hoge hypotheeklasten had, leidde niet tot een andere beoordeling. Ook werd vastgesteld dat appellant de door hem opgegeven inkomsten niet had betwist.
Verder werd erkend dat het UWV ten onrechte geen rekening had gehouden met het inkomen van de echtgenoot bij de beslagvrije voet, maar dit werd gecompenseerd doordat het UWV de maandelijkse aflossingscapaciteit ook had gehalveerd. De stelling van bijzondere financiële hardheid werd verworpen omdat het leven op het bestaansminimum geen kennelijke hardheid oplevert.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV tot vaststelling van de aflossingscapaciteit wordt bevestigd.