ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8012
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na tijdig bezwaar en ontbreken nieuwe feiten
Appellante was arbeidsongeschikt verklaard en ontving een gedeeltelijke WAO-uitkering die later werd herzien naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Het UWV trok bij besluit van 8 december 2003 de WAO-uitkering in, waarna appellante bezwaar maakte dat door het UWV als te laat werd beschouwd. Een telefonisch verzoek van haar maatschappelijk werker werd niet erkend als tijdig bezwaar.
De Raad oordeelde in 2006 dat het bezwaar buiten de termijn was ingediend en geen sprake was van verschoonbaarheid. In 2007 besloot het UWV niet terug te komen op de intrekking, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren. Het bezwaar tegen dat besluit werd ongegrond verklaard door de rechtbank en in hoger beroep bevestigd door de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat het telefonische verzoek terecht niet als bezwaar werd aangemerkt en dat er geen nieuwe feiten waren die herziening konden rechtvaardigen. De grieven van appellante betroffen vooral inhoudelijke bezwaren tegen de medische beoordeling, die in een reguliere bezwaarprocedure hadden moeten worden ingebracht. De uitspraak bevestigt het bestreden besluit en wijst proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens het ontbreken van tijdig bezwaar en nieuwe feiten die herziening rechtvaardigen.