ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering per 1 maart 2007, omdat hij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellant stelde dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek onzorgvuldig was, omdat hij niet lichamelijk was onderzocht en er geen informatie was opgevraagd bij zijn huisarts en andere behandelaars. Tevens voerde hij aan dat zijn klachten en beperkingen waren onderschat en zijn gezondheidstoestand was verslechterd.
De Raad overwoog dat appellant wel psychisch, maar niet lichamelijk was onderzocht. Gezien de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie achtte de Raad het achterwege laten van een lichamelijk onderzoek niet onzorgvuldig. De Raad vond geen aanwijzingen dat appellant medisch meer beperkt was dan vastgesteld. De rechtbank had al geoordeeld dat het medische oordeel van de verzekeringsartsen juist was en dat de beperkingen van appellant voldoende waren weerspiegeld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
De Raad bevestigde dat de belastbaarheid van de aan appellant voorgehouden functies binnen de FML past en dat appellant per 1 maart 2007 in staat was deze functies te verrichten. De intrekking van de WAO-uitkering werd dan ook bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.