ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8239

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5309 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbWerkloosheidswet (WW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit over blijvende gehele weigering WW-uitkering en toekenning uitkering

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV waarbij zijn WW-uitkering blijvend geheel werd geweigerd vanaf 15 maart 2005. De rechtbank Maastricht had dit besluit eerder bevestigd. Tijdens het hoger beroep heeft het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij de uitkering werd toegekend met een korting van 35% gedurende 26 weken en de kosten van bezwaar werden vergoed.

Appellant heeft aangegeven met deze nieuwe beslissing te berusten, waardoor hij geen belang meer had bij voortzetting van de procedure. De Centrale Raad van Beroep vernietigt daarom het eerdere besluit en de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling van de uitkering vanaf 1 oktober 2005.

Daarnaast wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant, bestaande uit reiskosten en kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep, en dient het griffierecht aan appellant te worden vergoed. De uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen op 9 september 2009.

Uitkomst: Het besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en de uitkering wordt toegekend met een korting van 35% gedurende 26 weken.

Uitspraak

07/5309 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 augustus 2007, 06/2349 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 september 2009.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.H.M. Geraedts, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2008, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Geraedts, en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door M.J. Lagerweij.
Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en in dat kader het Uwv enkele vragen gesteld.
Bij brief van 25 maart 2009 heeft het Uwv de Raad een afschrift van een nieuwe beslissing op bezwaar van 25 maart 2009 toegezonden.
Bij schrijven van 15 april 2009 is namens appellant desgevraagd een reactie ingezonden op de nieuwe beslissing op bezwaar van 25 maart 2009.
Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend behandeling ter zitting achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 9 oktober 2006 heeft het Uwv, na uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 juli 2006, een namens appellant ingediend bezwaar van 5 september 2005 tegen een door het Uwv op grond van de Werkloosheidswet (WW) genomen besluit van 10 augustus 2005 opnieuw ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv de
WW-uitkering aan appellant blijvend geheel geweigerd met ingang van 15 maart 2005.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 9 oktober 2006 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. Namens appellant is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld waarbij de Raad is verzocht het hoger beroep gegrond te verklaren en de aangevallen uitspraak te vernietigen. Voorts is de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten, die verband houden met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep. Tevens is verzocht om vergoeding van de wettelijke rente.
4. Bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 25 maart 2009 heeft het Uwv het besluit van 9 oktober 2006 gewijzigd in dier voege dat aan appellant met ingang van 15 maart 2005 een maatregel is opgelegd inhoudende een verlaging van de uitkering met 35% gedurende 26 weken. Tevens is daarbij besloten om de kosten van het bezwaar te vergoeden.
5. Bij brief van 15 april 2009 heeft appellant de Raad meegedeeld dat het Uwv met de beslissing van 25 maart 2009 tegemoet is gekomen aan het bezwaar en dat hij daarin berust.
6. De Raad overweegt als volgt.
6.1. Gelet op de nieuwe beslissing op bezwaar van 25 maart 2009 en de brief van appellant van 15 april 2009 heeft appellant geen belang meer bij een inhoudelijke voortzetting van de procedure en komt het besluit van 9 oktober 2006, alsook de aangevallen uitspraak, voor vernietiging in aanmerking.
6.2. Het verzoek om met toepassing van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen tot vergoeding van renteschade kan worden ingewilligd, in dier voege dat het Uwv de wettelijke rente dient te vergoeden over de nabetaling van de uitkering en dat de ingangsdatum van de rente wordt gesteld op 1 oktober 2005. Voor de verdere berekening wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 1 november 1995, LJN ZB1495, RSV 1996/182 en JB 95/314.
6.3. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke kosten worden begroot op € 6,82 aan reiskosten en € 644,-- aan verleende rechtsbijstand in beroep en op € 37,90 aan reiskosten en € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal een bedrag van € 1.332,72.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van renteschade als onder 6.2 weergegeven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.332,72, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van € 144,--
(€ 38,-- + € 106,--) aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2009.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.
HD