ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8367

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4930 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete wegens niet tijdig indienen van jaarloonopgaven; vergrijp of verzuim?

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank Breda. De rechtbank had eerder een boete van € 2.444,-- opgelegd aan een onderneming wegens het niet tijdig indienen van jaarloonopgaven. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een vergrijp, maar van een verzuim, omdat de jaarloonopgaven uiteindelijk na de tweede rappelbrief waren ingediend. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van het Uwv gegrond verklaard. De Raad oordeelde dat de rechtbank een onjuiste uitleg had gegeven aan de relevante wetgeving, met name de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). De Raad stelde vast dat de onderneming de jaarloonopgaven niet tijdig had ingediend en dat dit als grove schuld kon worden gekwalificeerd. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en stelde de boete vast op € 2.269,--, rekening houdend met de maximering van de boete zoals voorgeschreven in de wet. De Raad concludeerde dat de onderneming geen afdoende verklaring had gegeven voor de overtreding, waardoor de boete terecht was opgelegd.

Uitspraak

08/4930 CSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 augustus 2008, 08/2326 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingtsplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 10 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2009. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. Verdonk, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is met voorafgaand schriftelijk bericht niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) zoals die luidde ten tijde als hier van belang.
1.1. Bij brief van 25 oktober 2005 heeft betrokkene appellant meegedeeld dat haar onderneming per 30 september 2005 is opgeheven. Naar aanleiding hiervan heeft appellant bij brief van 3 november 2005 betrokkene meegedeeld dat zij binnenkort jaarloonopgaven ontvangt en deze jaarloonopgaven ingevuld binnen twee weken retour dient te zenden ten einde de definitieve afrekening mogelijk te maken. Omdat betrokkene hierop niet heeft gereageerd, heeft appellant op 19 januari 2006 betrokkene nogmaals verzocht de jaarloonopgaven binnen 14 dagen in te zenden. Appellant heeft de jaarloonopgaven eerst na afloop van die termijn op 17 maart 2006 ontvangen.
1.2. Bij besluit van 18 augustus 2006 heeft appellant aan betrokkene wegens het niet tijdig indienen van de jaarloonopgaven een boete opgelegd van € 2.444,--, zijnde 25% van de alsnog verschuldigde premie. Het namens betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 december 2006 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt het standpunt van appellant ten grondslag dat sprake is van een eerste, aan opzet dan wel grove schuld te wijten overtreding en dat de boete derhalve terecht is vastgesteld op 25% van de verschuldigde premie.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 6 december 2006 gegrond verklaard en met vernietiging van dat besluit de boete (gemaximeerd) vastgesteld op € 454,--. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat geen sprake is van een vergrijp, maar van een verzuim, nu betrokkene in ieder geval na(ar aanleiding van) de tweede rappelbrief van 19 januari 2006 de jaarloonopgaven 2005 heeft ingediend.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 8 van het Besluit toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering 2002 (hierna: het Toepassingsbesluit). Naar de mening van appellant betekent de uitleg van de rechtbank dat bij het niet tijdig indienen van een jaarloonopgave nooit sprake kan zijn van opzet of grove schuld, omdat een niet tijdig ingediende jaaropgave uiteindelijk altijd ná het tweede rappel is ingediend.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van het op artikel 10, tweede lid, van de CSV gebaseerde Loonadministratiebesluit is een werkgever verplicht de jaarloonopgave in te leveren binnen 14 dagen na de datum waarop hij zijn bedrijf staakt. Wanneer een werkgever niet, niet juist of niet volledig voldoet aan deze verplichting, begaat hij ingevolge het op artikel 12, zesde lid, van de CSV gebaseerde Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekering van 29 mei 2000, Stb. 2000, 247 (hierna: Boetebesluit werkgevers) een overtreding.
4.2. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat appellant de jaaropgaven van betrokkene over het jaar 2005 niet binnen de daarvoor in artikel 12, tweede lid, van het Loonadministratiebesluit gestelde termijn heeft ontvangen en evenmin een tijdige reactie van betrokkene heeft ontvangen op twee nadien aan betrokkene verzonden rappellen. De Raad is dan ook met appellant van oordeel dat vast is komen te staan dat betrokkene niet op de juiste wijze heeft voldaan aan de voor haar op grond van artikel 10, tweede lid, van de CSV geldende verplichting tot het doen van loonopgaven over 2005. Appellant was dan ook gelet op artikel 12 van de CSV gehouden betrokkene een boete op te leggen.
4.3. De Raad staat vervolgens voor de beantwoording van de vraag of appellant de onderhavige overtreding van de verplichting op grond van artikel 10, tweede lid, van de CSV terecht heeft aangemerkt als een vergrijp. De Raad overweegt dat artikel 12, tweede en derde lid, van de CSV de omschrijving geeft van de gedraging op grond waarvan het Uwv gehouden is een boete op te leggen. Die gedraging is het niet, niet juist of niet volledig voldoen aan een op grond van artikel 10, tweede lid, van de CSV gestelde verplichting. Is die gedraging geconstateerd, dan geldt de in het tweede lid van artikel 12 van de CSV omschreven boete van ten hoogste 10% van het verschuldigde of het alsnog verschuldigde bedrag aan premie of voorschotpremie. De “delictsomschrijving” van de overtreding is daarmee vervat in het tweede lid. Lid 3 voorziet in een maximale boete van 100% van bedoeld bedrag, in het geval dat de geconstateerde gedraging is te wijten aan opzet of grove schuld van de werkgever.
4.4. In het geval van betrokkene heeft appellant de overtreding in het primaire besluit als vergrijp gekwalificeerd omdat betrokkene de jaarloonopgaven 2005 ook na twee rappellen niet tijdig heeft ingezonden. In het besluit op bezwaar is deze motivering gehandhaafd. De Raad is van oordeel dat, nu de verplichting de jaarloonopgave binnen twee weken na bedrijfsbeëindiging in de regel bij een werkgever als bekend mag worden verondersteld, overtreding van die verplichting als een ernstige nalatigheid is te kwalificeren en derhalve is te wijten aan grove schuld van de werkgever, tenzij de werkgever omstandigheden aanvoert en zonodig aannemelijk maakt, waaruit volgt dat de overtreding niet aan zijn grove schuld is te wijten. In dat verband merkt de Raad op dat betrokkene niet heeft ontkend de rappelbrieven van appellant te hebben ontvangen en dat betrokkene niet door middel van een bewijs van aangetekende verzending heeft aangetoond dat op 2 januari 2006 de jaarloonopgaven 2005 zijn ingezonden.
4.5. Alle omstandigheden in aanmerking nemend is de Raad van oordeel dat betrokkene geen afdoende verklaring voor de overtreding heeft gegeven op grond waarvan deze niet aan grove schuld van appellante zou zijn te wijten. Anders dan de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat appellant terecht grove schuld heeft aangenomen.
4.6. Met betrekking tot de hoogte van de opgelegde boete merkt de Raad op dat appellant verzuimd heeft rekening te houden met de maximering van de boete. Ingevolge het bepaalde in artikel 15, eerste lid, onder II, van het Toepassingsbesluit dient de hoogte van de boete, in het geval er sprake is van een vergrijpboete en eerste overtreding, gemaximeerd te worden op € 2.269,--.
4.7. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep van appellant. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover die ziet op de veroordeling in de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht, en doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep van betrokkene tegen het besluit op bezwaar van 6 december 2006 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en de boete vaststellen op € 2.269,--.
5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover deze ziet op de proceskostenveroordeling en de vergoeding van het griffierecht;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 6 december 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;
Stelt de boete vast op € 2.269,--.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2009.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) W. Altenaar.
EK