ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8446

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3214 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verder ziekengeld wegens geschiktheid voor schoonmaakwerk

Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek met voet- en knieklachten. Het UWV besloot haar geen ziekengeld meer toe te kennen omdat zij niet langer ongeschikt werd geacht voor haar werk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat haar knieblessure haar belemmerde om haar werk uit te voeren en dat een deskundige benoemd had moeten worden. De Raad overwoog dat het bestreden besluit gebaseerd was op een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek, inclusief medische gegevens zoals MRI-scans en adviezen van specialisten. De bezwaarverzekeringsarts achtte de beperkingen niet zodanig dat zij niet geschikt was voor licht werk als schoonmaakster.

De door appellante overgelegde huisartsinformatie bracht geen nieuwe medische gezichtspunten die aanleiding gaven tot twijfel. De Raad concludeerde dat de uitspraak van de rechtbank bevestigd kon worden en dat geen reden bestond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 16 september 2009.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld omdat zij geschikt is voor haar werk als schoonmaakster.

Uitspraak

08/3214 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 24 april 2008, 07/6699 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.G. Evers, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante was laatstelijk van 9 mei 2005 tot 9 mei 2006 werkzaam als schoonmaakster van kantoorgebouwen. Na van 13 maart 2006 tot 16 oktober 2006 wegens knieklachten ziek geweest te zijn heeft zij zich op 18 april 2007 vanuit een situatie van werkloosheid ziek gemeld met voetklachten; later zijn daar knieklachten bij gekomen.
2. Bij besluit van 21 juni 2007 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat zij met ingang van 25 juni 2007 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat zij toen niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid werd geacht. Bij besluit van 20 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 juni 2007 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Appellante heeft in hoger beroep tegen die uitspraak aangevoerd dat zij als gevolg van het kruisbandletsel aan haar linker knie niet goed kan lopen, laat staan licht tot middel zwaar werk verrichten zoals het schoonmaken van kantoren. Zij is daarvoor onder behandeling van een fysiotherapeut en heeft in 2007 een kijkoperatie gehad. Zij is van mening dat de rechtbank een deskundige had moeten benoemen.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk. In het geval van appellante is dat het werk van schoonmaakster kantoorgebouwen.
5.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag ligt. De Raad overweegt daartoe als volgt.
5.3. De verzekeringsarts heeft appellante op 21 juni 2007 op het spreekuur gezien en onderzocht en heeft daarbij de medische informatie verkregen bij het onderzoek ter gelegenheid van de vorige hersteldmelding op 12 oktober 2006 meegewogen. Daarbij was informatie voorhanden van de reumatoloog R.J. Goedkoop van 19 juni 2006 waarin melding wordt gemaakt van een MRI-scan uit 2006. Daaruit komt naar voren dat sprake is van een partiële voorste kruisbandruptuur aan de linker knie en van een advies van de orthopeed tot het volgen van oefentherapie, een hersteloperatie werd niet nodig geacht. De verzekeringsarts heeft op basis hiervan en op basis van de anamnese van appellante het standpunt ingenomen dat er wat betreft de knieklachten geen wijzigingen zijn opgetreden vergeleken bij de vorige hersteldmelding en dat de voetklachten geen aanleiding geven tot beperkingen bij lopen. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante vervolgens onderzocht en tevens de uitslag van een nieuwe MRI-scan van 5 juni 2007 beoordeeld en zich op het standpunt gesteld dat de beperkingen van appellante bezien moeten worden in het licht van intensieve belasting, zoals bijvoorbeeld bij sporten voorkomt waarbij sprake is van korte snelle draaiingen. De belasting binnen het werk als schoonmaakster van kantoren is volgens de bezwaarverzekeringsarts echter licht waarbij staan en lopen elkaar afwisselen en waarbij een zeer intensieve belasting van de knieën niet aan de orde is. De bezwaarverzekeringsarts acht appellante dan ook geschikt voor haar werk als schoonmaakster. De in hoger beroep door appellante overgelegde informatie van de huisarts van 19 maart 2008 geeft de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie nu deze geen nieuwe medische gezichtspunten bevat.
5.4. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) F. Heringa.
TM