ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8462
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellante was sinds 1985 arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering. Na een herbeoordeling in 2006 concludeerde een verzekeringsarts dat zij lichte psychische en fysieke beperkingen had, maar voldoende belastbaar was voor gangbare arbeid. Op basis hiervan trok het UWV haar uitkering per 25 juli 2006 in.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar psychische beperkingen werden onderschat, onder meer op grond van een rapport uit 2005 waarin een urenbeperking werd gesteld. Zowel de rechtbank als de Raad oordeelden echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de meer recente medische gegevens geen aanwijzingen gaven voor een ernstiger beperking.
De behandelend psychiater van appellante had recidiverende depressies met psychotische kenmerken vastgesteld, maar de bezwaarverzekeringsarts constateerde een discrepantie tussen de anamnese en objectiveerbare bevindingen. De Raad vond geen objectieve grond voor een urenbeperking en achtte de geselecteerde functies passend binnen de belastbaarheid van appellante.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door J. Riphagen op 23 september 2009.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende objectieve medische beperkingen.